maandag 26 mei 2008
JAN WILLEMSZ DE GOOIJER. * CRAILO 1852, + NAARDEN 1924
JEUGD EN VRIJGEZELLENTIJD.
Ten tijde van de geboorte van Jan waren zijn ouders, Willem de Gooijer en Mietje Vos, pachters op het landgoed dat gelegen was tussen Naarden en Huizen. Jan werd op 7 september 1852 geboren op de pachtboerderij, de Hof-stede Zuid Crailo. Vader Willem toog de volgende dag naar het dorp Huizen, want het landgoed behoorde tot deze gemeente. De ambtenaar van de burgerlijke stand aldaar maakte de volgende geboorte-akte op:
________________________________________________________________
Heden de Achtsten September Achtienhonderd
Twee en Vijftig is voor ons ondergeteekende, Ambtenaar van de burgelijke stand der gemeente Huizen ---------------------------- verschenen
Willem de Gooijer oud Drie en Veertig jaren,
wonende alhier ..................................... welke ons heeft
verklaard, dat te Huizen op den Zevenden Sep-
tember jongs leden des avonds ten acht ure,
in het huis staande op de Hofstede Zuid Crailo
is geboren een kind van het mannelijk geslacht, uit Mietje
Vos -------------- van beroep zonder
wonende mede alhier, zijn echtgenoot
welk kind zal genaamd worden Jan
Zijnde deze inschrijving gedaan op aangifte van den Vader
Van welke verklaring wij deze akte hebben opgemaakt in tegenwoordigheid van
Dirk Hogenbirk van beroep
..........., oud Vier en dertig jaren, wonende alhier
en van Evert van der Roest
van beroep arbeider oud Zes en twintig jaren, wonende
mede alhier en is deze akte na voorlezing door ons
benevens den ......... getuigen
onderteekend De Ambtenaar voornoemd
Ad. Rebel
Willem de Gooijer
D. Hogenbirk
Evert van der Roest
________________________________________________________________
Gedoopt werd Jan echter in Blaricum op 8 september, als doopgetuige trad op zijn tante Aaltje Hendrikse Vos. Nadat het pachtcontract van 6 jaar was af-gelopen, verhuisde vader Willem met zijn gezin op 30 april 1857 naar Naar-den. Willem huurde de boerderij Bussummerstr. 158 en 159 van Dankelschijn. Volgens het kadaster G 242 en G 243. [Huidige nummers 44 en 44a] Het bij-behorende erf en moestuin, volgens G 217 en groot 4,2 are, liep door naar de St. Vitusstraat.
Jan gaat een paar jaar later naar school, waarschijnlijk in de Schoolstraat. [De schoolstraat was het gedeelte van de huidige Pastoorstraat, dat ligt tussen de Bussummerstraat en de St. Vitusstraat.]
Over het contact tussen vader en zoon is weinig bekend. Wel is het volgende verhaal overgeleverd:
Willem zou niet erg oranjegezind zijn geweest, een logisch gevolg van enke-le eeuwen achterstelling van katholieken. In de periode dat Willem zich in Naarden vestigde was de spanning tussen protestanten en katholieken weer toegenomen. Bij veel protestanten ontstond, met steun van koning Willem III, een nieuwe golf van antipapisme. [Als gevolg van het in 1853 opnieuw instellen van R.K. bisdommen, voor het eerst sinds de 80-jarige oorlog.] Omstreeks 1870, op een 'oranje' feestdag, werd in Naarden druk gevlagd. Onder de Naardens waren fanatieke oranjeklanten. Personen die geen vlag uitstaken sleurden zij uit hun huizen om ze af te ranselen. Willem zou als dreigement een mes in de tafel gestoken hebben waarbij hij zei: "Als een geus mij aanraakt, dan krijgt hij hiermee te doen". [Of woorden van gelijke strekking.] Daarop sloop Jan naar buiten en schilderde 'ORANJE BOVEN' op de luiken. (1) [Wat zou hiervan waar zijn ? Zeker is dat de generatie van Jan, zijn broers en hun kinderen, zelf altijd vurige oranjeklanten zijn geweest.]
Naast de overgeleverde verhalen, zijn er schriftelijke bronnen over Jan. Uit het bevolkingsregister van Naarden blijkt, dat hij [net als sommige van zijn broers] in zijn jonge jaren vaak als inwonende boerenknecht buiten het Gooi heeft gewerkt. Op welke leeftijd hij elders ging werken is [nog] niet uitgezocht. Wel vermeldt het bevolkingsregister Jan's terugkeer in Naarden op 3 januari 1871. Hij is dan bijna 19 jaar en had een jaar of langer in Weesperkarspel gewerkt. Er is slechts één anekdote bekend over Jan's ver-blijf bij een van zijn bazen:
Jan werkte en was in de kost bij een papenhater. Het was daar geen vetpot en vlees kwam daar weinig op tafel. Uit pesterij kreeg Jan juist op vrijdag vlees, terwijl dit een verplichte vleesloze dag was voor Roomskatholieken. Bovendien kreeg hij bij deze zuinige boer weinig te eten. De boerin kookte voor het personeel voor meerdere dagen tegelijk een grote pan rijst en daar werd dagelijks uitgegeten. Vaak was de bovenlaag al bedorven, in dat geval schepte de boerin gewoon die laag er af en kreeg ieder een portie. (2) [Veel rijke burgers en boeren aten niet samen met het personeel.]
Jan bleef vervolgens van januari 1871 tot 24 december 1872 in Naarden. Vol-gens de overlevering zou hij meegewerkt hebben aan de verbetering van de vestingwerken in zijn woonplaats, mogelijk in deze tussenliggende periode. [In het hoofdstuk 'Militaire activiteiten in Naarden' staat meer hierover]
De dag voor Kerstmis 1872 werd het vertrek van Jan naar Muiden ingeschreven. Waarschijnlijk bleef hij daar werken tot zijn terugkeer naar Naarden op 1 maart 1876. In Muiden werkte hij dus ca. 3 jaar bij één of meerdere boeren. Daarna duurde het 2 jaar voor Jan weer vertrok. Mogelijk was hij die jaren thuis op de boerderij nodig. Zijn vader overleed namelijk 13 december 1877 en was de voorafgaande periode misschien wel ziek. Moeder Mietje moest dus een beroep doen op één van haar zonen. Haar oudste zonen, Cornelis en Hendrik, waren reeds getrouwd. Cornelis bezat al een boerderij, Hendrik mogelijk ook. Het kan dus zijn, dat Jan en/of andere broers moeder's bedrijf tijdelijk gerund hebben. Zoon Pieter bleef tot na moeder Mietjes overlijden op de ouderlijke boerderij. Jan vertrok 7 januari 1878 naar Muiderberg, waar hij verbleef tot 15 maart 1879.
Wanneer Jan thuis op de boerderij werkte, ging hij met zijn broers in het weideseizoen koeien melken op de Naarder Meent. Vooral het buitendijkse gebied was uitgestrekt en alle koeien van de Naarder erfgooiers liepen door elkaar. Van jongs af aan was Jan, net als andere boerenkinderen, meegegaan met de melkers om afgedwaalde koeien op te halen. Zodoende werden veel contacten tussen de verschillende erfgooiersfamilies gelegd. Het was dan ook geen wonder dat drie leden uit het gezin van Willem de Gooijer verkering kregen met drie uit het gezin van Harmen Krijnen. Jan koos Harmens dochter Klaasje Krijnen uit.
DE JEUGDJAREN VAN KLAASJE KRIJNEN.
In een boerderij gelegen tussen de Wijde Marktstraat (thans Raadhuisstraat) en de Gansoordstraat woonde het echtpaar Harmen Krijnen en Emmetje Dekker met hun gezin. Hun jongste dochter werd in het voorhuis aan de Wijde Markt-straat op 10 augustus 1865 geboren. Harmen deed aanngifte van de geboorte en de ambtenaar van de burgerlijke stand maakte de volgende geboorteakte op:
________________________________________________________________
N 62
Heden den Elfden Augustus ------------------ Achttienhonderd Vijf en Zestig, is voor ons ondergeteekende, Ambtenaar van den
burgerlijke stand der gemeente Naarden ---------- verschenen
Harmen Krijnen ------------ van beroep ------- landbouwer ----
oud drie en veertig jaren, wonende te Naarden numero drie
honderd vier en vijftig ------- welke ons heeft verklaard, dat
alhier te Naarden op den elfden Augustus dezes jaars --------
des nachts ------ ten half twee ure, in het huis staande op de
Wuijvert numero driehonderd vier en vijftig ------- is geboren
een kind van het vrouwelijk geslacht, uit Emmetje Dekker, zijn
echtgenoot ----- van beroep zonder
welk kind zal genaamd worden Klaasje ------------
Zijnde deze inschrijving gedaan op de aangifte van den genoemde
Vader -----
Van welke verklaring wij deze akte hebben opgemaakt in tegen-
woordigheid van Jean Baudium Schriek Thierens ----------------
van beroep Gemeente Ontvanger oud Zes en vijftig jaren,
wonende te Naarden numero een en twintig en van Jentje
Hendriks Siesverda van beroep Gemeente Veldwachter oud
Zeven en vijftig jaren, wonende te Naarden numero driehonderd
zeventig en is deze akte na voorlezing door ons benevens den
Comparant en de getuigen onderteekend
De Ambtenaar voornoemd
H. Krijnen
J.B. Schriek Thierens
J.H. Siesverda
________________________________________________________________
Vader Harmen was erfgooier, stamde uit Bussum en had zich na zijn huwelijk in 1849 in Naarden gevestigd. Zijn vee liep op de Naarder Meent en ook Klaasje moest al vroeg met de melkers mee. Daar en mogelijk in de St. Vituskerk ontmoette zij de 13 jaar oudere Jan de Gooijer. In haar kinderjaren ging zij naar school in de Schoolstraat. (gedeelte van de huidige Pastoorstraat) Het schoolgebouw dateerde uit 1828 en verkeerde in slechte staat, zelfs de muren waren gescheurd. Ruim 225 kinderen zaten verdeeld in twee lokalen op banken, die 'amphitheatersgewijs' opliepen. Voor de ramen waren geen gordijnen of zonneschermen. Bij zonnig weer werden de luiken gesloten. Dorst lessen moest bij de gemeentepomp op straat en die was tevens speelplaats. Klaasje vertelde later, dat de onderwijzer zijn baby meenam in de klas. Het kind stond in een mand. Het onderwijs was redelijk goed, want Klaasje kon tot op hoge leeftijd nog goed rekenen en schrijven. Lokale geschiedenisles kreeg ze uit overlevering. Haar grootouders vertelden hoe ze in Bussum te lijden hadden gehad van de Franse bezetting van de vesting Naarden. Het Franse garnizoen was van november 1813 tot mei 1814 ingesloten door Kozakken en het Nederlandse leger. Af en toe deden de Fransen een uitval en gingen op roof uit in Bussum. Grootvader Krijnen had een knecht waarvan zelfs de zilveren knopen van diens broek werden gesneden.
In Naarden viel niet veel te beleven, maar als er iets te doen was dan werd er gefeest. Zo was er de verjaardag van Willem III waarbij soms een optocht werd gehouden. Andere hoogtepunten waren de jaarlijkse veemarkt en vooral de Naarder kermis. Vader Harmen had een speciaal kermispotje voor zijn kin-deren. Het geld was afkomstig van de huur die het 'overtuintje van de Roeper' opbracht. Notaris de Roeper had het tuintje tegenover zijn woning aan de overkant van de Gansoordstraat gehuurd. Hij had nu een mooi uitzicht en voorkwam de mogelijkheid tegen een mesthoop aan te moesten kijken. Mid-den in een perkje prijkte een beeldje. Het werd eens stiekem door kwajongens 'meegenomen'. De Roeper kreeg het terug en diende geen klacht in. Zouden soms kleinzoons van Harmen daar de hand in gehad hebben ?
MILITAIRE ACTIVITEITEN IN NAARDEN.
NAARDENSE VESTINGWERKEN OP DE SCHOP.
Het laatste kwart van de negentiende eeuw bracht grote veranderingen in het Gooi. De aanleg van de Oosterspoorlijn Amersfoort - Amsterdam en de Gooische Stoomtram ontsloten het Gooi. De autochtone bevolking raakte uit hun isolement en de streek werd opengesteld voor hoofdzakelijk Amsterdamse forenzen.
In deze periode werden ook de vestingwerken van Naarden aangepast aan de 'vooruitgang', dat wil zeggen de 'moderne oorlogsvoering'. De verbetering
was het gevolg van de ontwikkeling van het geschut en granaten in de Frans-Duitse oorlog van 1870. Het Duitse leger met dit nieuwe wapentuig vormde een bedreiging. De vestingwallen werden verhoogd en men bouwde de bomvrije kazernes, Promers, Oud Molen en Oranje. Op de bastions kwamen bomvrije gebouwen, die alfabetisch van een letter werden voorzien. (Zo werden er enkelen op het Bastion Turfpoort gebouwd, die bij de Naarders bekend staan als poterne 'X' en 'IJ'.)
Aan de Zuiderzeekust werd het Fort Ronduit aangelegd en rondom Naarden ook vijf kleinere forten. Dezen kregen de namen van respectievelijk 'Werk no. 1', no. 2, no. 3, no. 4, no. 5. (tegenwoordig rest alleen nog 'Werk 4' in Bussum.) Al het grondwerk aan wallen en forten gebeurde met het 'handje'. Schop en kruiwagen waren de enige hulpmiddelen. Ook Jan Willemsz de Gooijer had zich laten aanmonsteren voor de vestingbouw. Hij was nog vrijgezel en kon nu in zijn ouderlijke boerderij aan de Bussummerstraat blijven wonen.
Gewoonlijk werkte hij elders als boerenknecht en woonde derhalve ver van huis. Jan stond nu zij aan zij met potige polderjongens en kon het zware werk nauwelijks aan. Om zijn rug te sparen droeg hij een speciaal hiervoor gemaakt leren korset. Of andere broers dit werk ook deden is onbekend. Wel kwam zijn oudste broer Cornelis in de problemen door de bouwactiviteit. Zijn boerderij, gelegen in de Kooltjesbuurt, moest wijken voor de nieuwe poternes op bastion Oud Molen.
Nadat de werkzaamheden aan de verdedigingswerken waren voltooid, besloot de legerleiding het weerstandsvermogen van de verbeterde Vesting Naarden te beproeven. In 1885 werden daarom grote manoeuvres rondom Naarden gehouden, waaraan 4000 militairen deelnamen. Het pas enkele jaren oude weekblad 'De Gooi- en Eemlander' weidde aan deze manoeuvres ruime aandacht. In de zater-daguitgaven van 22, 29 augustus en 5, 12 september werden vele kolommen volgeschreven over de voorbereiding en de uitvoering. Alles wat er gebeurde werd door de Naardense bevolking, waaronder de familie De Gooijer, op de voet gevolgd.
DE VOORBEREIDING
De militairen werden gesplitst in een aanvallende en een verdedigende par-tij. Ter onderscheiding droegen de aanvallers een witte band om hun chaco (hoofddeksel). Een groot gedeelte van hen werd gelegerd in tenten op het terrein van 'het Kamp van Laren'. 1) Naast de infanterie, bewapend met ge-weren, was ook de veldartillerie aanwezig. Het veldgeschut was, tijdens de voorbereiding eind augustus, vanuit de Vesting Naarden naar de aanvallers gebracht. Bij het vervoer van oorlogsmaterieel werd gebruik gemaakt van de Gooische Stoomtram en burgervoerlieden. Waarschijnlijk werden de plaatselijke boeren, waaronder Jan de Gooijer, met hun paarden ingeschakeld, zoals later bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. 2)
Een deel van de verdedigers nam stelling in de forten 'Werk no. 1 t/m 5' en in de 'Lunetten' aan de Karnemelksloot. Het overige deel, waaronder de ves-tingartillerie, bleef in de Vesting Naarden achter. De toren van de Grote Kerk werd voorzien van een handbediend optisch seintoestel, zoals in de Napoleontische tijd in gebruik was. In de kazerne Oud Molen werd de genie ondergebracht, bovendien was daar het hoofdkwartier van kolonel R.C. van Onselen. De krant berichtte dat deze commandant aldaar de beschikking had over een telegraafverbinding en dat er zelfs verschillende 'telephoonlijnen' waren. Perfecte inlichtingen over de ligging van het zenuwcentrum van de verdediging. Hiermee werd ook de Pruisische spionagedienst op een presenteerblaadje bediend, want van die kant dreigde het werkelijke gevaar.
Zwaar geschut van de vestingartillerie werd op de hoofdwallen geplaatst. De plaatselijke 'oorlogscorrespondent' berichtte: "Overal steken de kanonnen dreigend hun koppen vooruit, terwijl sommige stalen vuurmonden niet minder kwaadaardig achter de hooge wallen te wachten staan om zoodra de vijand zich vertoont over de borstwering heen de zware projectielen weg te slingeren".
Overal waren schildwachten, die bij slecht weer in eenvoudig van stro ge-bouwde schildwachthuisjes konden schuilen. Tevens werden van houten balken onderkomers gebouwd die met zand werden afgedekt. Er werd van s'morgens vroeg tot 's avonds laat aan gewerkt. De wallen werden op veel punten ver-licht door daar aangebrachte lantaarns. Ook aan de buitenwerken werd gear-beid. Het fort 'Werk 4' op de heide tussen Bussum en Kamphoeve, werd geheel door palissaden omringd. achter dit fort was een tentenkamp waar een afde-ling artillerie en genie verbleef. De grote loods ter plaatse werd gedeeltelijk ingericht als paardenstal. Het andere gedeelte bevatte de allernieuwste vinding op het gebied van de verdediging. Hier was een machinekamer ingericht van het electrisch 'verlichtingstoestel'. Met deze voorloper van de schijnwerper kon het voorterrein verlicht worden. Volgens de correspondent: "Die nog veel beter dan de maan van dienst kon zijn voor de verdediger, daar het licht naar alle kanten kan worden gedraaid. De vijand kan dat electrisch licht dan ook hoogst waarschijnlijk wel naar de maan wenschen. De deskundigen beweren nu echter dat zoo'n lamp wel aardig is en ook weleens in den oorlog dienst zal kunnen doen, doch dat men eerst nog een middel moet vinden om haar onkwetsbaar en gedeeltelijk onzichtbaar te ma-ken, daar zij nu den vijand niet alleen de juiste ligging van het fort ver-raadt, maar ook door een goed gericht schot kan worden vernield".
De voorbereidingen werden zaterdagavond afgesloten. Zondag 30 augustus was een rustdag en maandag was er een grote parade op de hei bij Bussum ter ge-legenheid van Prinsjesdag.
DE MANOEUVRES.
De manoeuvres begonnen op dinsdag 1 september en duurden met een onderbreking op zondag tot en met donderdag 10 september. Dinsdagmiddag om drie uur reden twee 'vijandige' militairen te paard door de linies van de verdedigers. Één ruiter was een parlementair met een witte vlag, de ander was een trompetter. Ze reden naar de Vesting en eisten de overgave, die geweigerd werd door de vestingcommandant. De eerste dag richtten de aanvallen zich op de voorwerken, de dag daarna op de vesting. Natuurlijk trokken deze manoeu-vres heel wat toeschouwers. Niet alleen Naarders vergaapten zich, ook van elders kwam men kijken. Zelfs de toren werd door nieuwsgierigen beklommen. Vaak ging men onvoldaan naar huis, omdat men niet altijd wist waar 'slag geleverd werd'.
Vanaf woensdagmorgen 2 september schoot men vanaf de vestingwallen. Ondanks het schieten met los kruit waren de schoten zo hard, dat geadviseerd werd de ramen open te zetten. Ook de burgers kregen geen rust, dag en nacht klonk het gedonder. Natuurlijk hadden de soldaten het moeilijker. Het eten was vaak slecht, hoewel de rantsoenen verhoogd waren. Er was zelfs meer vlees dan anders beschikbaar. De soldij bleef minimaal en bedroeg een dub-beltje per dag. Voor deze fooi waren ze dag en nacht in de weer. 3) Op rustige nachten stond een kwart van de verdedigers op wacht en een kwart lag gekleed op het stro. De andere helft mocht in onderkleding op het losse stro slapen.
De aanvallers waren nog slechter af, zij bivakeerden in de open lucht en deden schijnaanvallen. Bovendien moesten zij schansen opwerpen en loopgraven aanleggen. Dit zware werk gebeurde tijdens slagregens. Op ongeveer 1000 pas van 'Werk 4' groeven zij een 400 meter lange loopgraaf met een borstwering er voor. Daarin werden 'granaatvrije' dekkingen gemaakt en batterijen gebouwd. Zieken waren er gelukkig niet veel. De hospitaalsoldaten waren echter wel druk in de weer met het oefenen in het leggen van verband en het wegdragen van de namaak 'gewonden'.
Ondertussen werd op 'Werk 4' elke avond druk geëxperimenteerd met het 'verlichtingstoestel'. Vele nieuwsgierige burgers kwamen naar dit wonder van de techniek kijken. Voor praktisch iedereen was dit het eerste contact met electrisch licht. Bussum had gasverlichting tot in de het begin van de twintigste eeuw en Naarden kreeg als eerste Gooise gemeente electrische verlichting in 1899.
Na afloop van de manoeuvres was er een grote parade met muziek. Deze vond plaats op het gedeelte van de Bussummerheide waar anders wedrennen werden gehouden. Danks zij het mooie weer trok dit 'grootsche' schouwspel veel bekijks. De 'oorlogscorrespondent' eindigde zijn verslag met: "Ieder keerde voldaan huiswaarts, de talrijke toeschouwers te voet en in rijtuigen even goed als de militairen, die blijde waren naar huis terug te mogen keeren, te eer daar het weder in de laatste dagen hoogst ongunstig werd". Ongetwijfeld was Jan de Gooijer en zijn broers onder de nieuwsgierigen, want dergelijke belevenissen kwamen zelden voor in het stille Naarden.
1) Thans (1999) asielzoekerscentum Crailo.
2) In 1914 bracht Herman, de oudste zoon van Jan de Gooijer, met zijn vaders paard kanonnen vanuit Naarden naar Utrecht.
3) Tot omstreeks 1900 vervulden rijkeluiszoontjes niet hun militaire dienstplicht, een vroeg soort weiger-yups. Zij lieten zich vervangen door een remplaçant.
STICHTING GEZIN.
Jan trouwde 17 mei 1887 Klaasje Krijnen. Bruidegom Jan is 34 jaar en zijn bruid 22 jaar. Zij vestigden zich in het pand hoek Regenboogstraat/Wuyvert op nummer 460. Op dit adres werden de vier oudste kinderen geboren:
Maria Emma op 21 juni 1888, Emma Maria op 11 juli 1890, Hermanus Wilhelmus op 20 januari 1892 en de tweede Emma Maria op 27 juni 1894. De op 11 juli geboren Emma Maria leefde slechts een maand, zij overleed op 14 augustus 1890. Voor haar moeder Klaasje is deze slag zo zwaar, dat zij later nooit haar eigen verjaardag vierde op de elfde augustus, maar steeds op de tien-de. Mogelijk werd de baby ziek op de verjaardag van Klaasje. [ Dit verhaal doet wel de ronde, maar op het klopt ?]
Op woensdag 26 april 1893 schrokken de bewoners van de Wuyvert. Er brak brand uit in het onbewoonde gedeelte van de gebroeders L. aldaar. De brand sloeg over naar de aangrenzende wagenmakerij, die uitbrandde. Ook de krui-denierswinkel van de gebroeders L. had brandschade. Gelukkig bleef het pand van Jan en Klaasje gespaard, maar Jan ging toch op zoek naar een grotere boerderij. Nogmaals werd de buurt opgeschrikt. Op donderdag 29 juni 1895 hoorden de mensen in de omgeving Pijlsteeg en Oosteindestraat een oorverdovend geraas. Men dacht dat er een huis instortte. Aannemer Piet van Wettum bleek bezig te zijn met het omtrekken van een half afgebroken pand in de Korte Pijlsteeg. Na de sloop bouwde hij aldaar vier woningen. Hij had een contract met het Ministerie van Oorlog afgesloten, waarbij hij deze zoge-naamde onderofficierswoningen voor een lange tijd aan militairen kon ver-huren.
DE BOERDERIJ GANSOORDSTR/PIJLSTRAAT
De buurt ging erop vooruit en Jan de Gooijer greep zijn kans.
Jan verhuisde 1 mei 1896 naar de boerderij op de hoek Gansoordstraat/Pijlsteeg. [Huidige Pijlstraat] De eerste jaren huurde hij de boerderij van de rentenier G. Brouwer, daarna kocht hij deze. Op het gerucht dat Brouwer of de voorgaande eigenaar Koeman op zijn doodsbed "zoeken, zoeken" had gestameld, doorzocht Jan het huis in de hoop een schat te vinden. Hij klopte tevergeefs op alle wanden. (4)
De 17e eeuwse boerderij bestond uit een voorhuis aan de Gansoordstraat [thans nr. 31] en een achterhuis met schuur in de Pijlstraat. De totale lengte was 36 meter en de breedte 9,5 meter. Het voorhuis was afgesplitst van de rest door eenvoudig enkele deuren dicht te timmeren. In dat gedeelte bleef Gerrit Brouwer voorlopig wonen. [Jaren later hebben alle zonen van Klaasje de eerste jaren van hun huwelijk in het voorhuis gewoond. Van al die gezinnen zijn de oudste kleinkinderen daar geboren.]
Achter de voordeur in de Pijlstraat lag een lange gang die doorliep naar de toegangsdeur van het erf. Bij binnenkomst lag direct links de deur naar de ruime voorkamer. Deze kamer had een raam aan de straatzijde en was voorzien van twee grote bedsteden en een kinder bedstede. Verder in de gang was links de trap naar de zolder en daarachter de deur naar de kleine achterkamer. In deze kamer, met uitzicht op het erf, werd hoofdzakelijk gehuisd. Hier was de bedstede waar Klaasje als weduwe sliep. Rechts achter de gang-muur lag het spoellokaal met daarin een houten pomp. Daarachter lag de le-men dorsvloer. Van de straatzijde was deze bereikbaar via een dubbele hooischuurdeur. Door deze hoge en brede deur en één van gelijke afmetingen aan het einde van de schuur, werden in de hooitijd 50 voer hooi naar binnen ge-reden. Het hooischuurgedeelte lag langs de straatzijde. De lange koeienstal lag daarnaast aan de zijde van het erf. In deze stal was plaats voor 17 koeien. De paardenstal lag achter de deel.
In de Gansoordstraat lag de inrit van het wagenpad naar het erf. Tussen het pad en de achterkamer lag het bleekveld met enkele vruchtbomen. Tegen het bleekveld en tegenover de achterdeur van het achterhuis stond een houten schuurtje. Dit bestond uit twee gescheiden delen, namelijk een keukentje en een ouderwetse plee. Aan het eind van het wagenpad lag op het erf een open wagenloods met daarachter een grote schuur, vooral bestemd voor jong vee.
Het huurcontract van de boerderij, zonder het voorhuis, luidde:
__________________________________________________________________________
"De ondergetekende Gerrit Brouwer de oude, zonder beroep, wonende te Naarden, verklaart bij deze te hebben verhuurd aan de medeondergeteekende Jan Willemszoon de Gooijer, veehouder, wonende te Naarden, die verklaart gehuurd te hebben, en in huur aan te nemen: 'eene boerderij met schuur, loods, erf en tuin, staande en liggende te Naarden in de Lange Pijlsteeg en uitkomende in de Gansoordstraat, nummer 388, zooals al hetzelve thans in huur is bij Jan Keijer en zulks voor de tijd van zes jaren, ingaande 1 Mei 1896 en eindigende 30 april 1902, mits de verhuurder en zijne echtgenoote, beiden nog in leven zijn; mochten zij beiden , voor het eindigen dezer huur; overleden zijn, zoo zal alsdan de huur eindigen 30 April, volgende op het overlijden der langstlevende, en wijders onder voorwaarden.
1: Dat de huurder wekelijks als huurprijs zal betalen de som van f 3,50, voor het eerst te voldoen op Zaterdag 9 Mei 1896, daarna een week daarna, en zoo vervolgens van week tot week.
2: Dat de huurder het gehuurde als een goed huisvader moet bewonen en ge-bruiken en zal voldoen alle lasten en bezwaren, waartoe huurders gehouden zijn of verplicht mochten worden, met uitzondering van de Personeele belasting, die door den verhuurder en den huurder elk voor de helft zal moeten voldaan worden.
3: De verhuurder behoudt zich het recht voor om in gebruik te houden, zooals nu het beding is bij den huurder Jan Keijer, van de navolgende goederen, als bleekveld, het secreet, de regenbak, de kippenloop, en de boomvruchten tezamen, verder blijft de halve loods en het gangetje tusschen den stal en de schutting aan den verhuurder, voorts heeft hij het recht om water te halen uit de pomp, staande op het bij deze verhuurde.
4: Dat de huur zal eindigen op den hierboven bepaalden tijd, zonder dat de huurder het recht heeft, zich te beroepen op art. 1609 van het Burgelijk Wetboek, daar verdere huur uit schriftelijke overeenkomst moet blijken.
De ondergeteekenden verbinden zich als volgens de wet en kiezen domicilie ten gemeentehuize te Naarden.
Geteekend te Naarden, den 24 December 1895.
G. Brouwer J. de Gooijer
__________________________________________________________________________
De zeventiende eeuwse boerderij was ongeveer een eeuw in het bezit geweest van de familie Koeman, totdat op 11 november 1874 Gerrit Koeman deze ver-kocht aan G. Brouwer voor f 3000.-. Direct na het overlijden van G. Brouwer in 1898 kocht Jan de gehele boerderij voor f 3500.-. [Klaasje overleed in 1956 en heeft daar dus 60 jaar gewoond] Jan's broer 'Hein de Bullenboer' kocht zijn boerderij gelijktijdig en eveneens van de erven Brouwer van de erven en betaalde f 1800.-.
HET LEVEN OP HET BOERENBEDRIJF
Het leven van Jan was zoals van de andere meentboeren. 's Zomers vroeg om half vijf op pad met de hondenkar om te gaan melken. Daartoe stonden twee grote trekhonden ter beschikking. De veertienjarige zoon Wim deed in 1914 bij het onafhankelijksfeest mee in de optocht met de hondenkar en werd daarmee vereeuwigd op een foto. Ook gingen Jan en zijn zoons wel met de Paard en wagen naar de Naarder Meent. Daar liepen enkele honderden koeien door elkaar. De koeien voelden echter aan wanneer het melkenstijd was, uit zichzelf kwamen ze naar de melkplek van iedere boer. Als een koe echter 'tuchtig' [paringsdrift] was, ging ze zwerven. De Naarder Meent bestond nog uit een binnendijks en een buitendijks gebied. Aan de Zuiderzee lag de buitendijkse gedeelte bestaande uit de weiden ten westen (Voorste Haverland) en ten oosten (Achterste Haverland) van Fort Ronduit. Het vee kon via de kade van het fort en de ondiepe 'koeienzee' van het ene deel naar het andere lopen.
Als door een najaarsstorm 'de zee overkwam' in de het buitendijks gebied, dan werd het vee op de meent achter de Westdijk in veilgheid gebracht.
Jan nam, zoals de meeste boeren, zijn kinderen mee. De jongsten hadden de taak om afgedwaalde koeien op te halen. Zij kenden hun eigen dieren aan de tekening op de huid. In het najaar met duister en mistig weer was het een hele opgave om een koe te vinden, vooral omdat er overal sloten lagen met hier en daar een gladde plank.
Om zes uur of half zeven, terug van het land, werden eerst de melkbussen afgeladen. Het paard of de honden werden uitgespannen en gevoederd. Thuis was dan alles in rep en roer. De kinderen draafden door het huis. De oudsten gingen nuchter naar de vroegmis. Om half zeven stond de pap voor vader Jan klaar.
Toen Jan wat ouder was en hulp had van zijn zonen, ging hij daarna een tukje doen. Hij deed dat zittend in een stoel aan tafel met zijn hoofd op zijn armen. Daarna werden de melkbussen, kannen en emmers geboend. De melk werd direct rondgebracht naar de klanten in de gehele vesting. Ook het Militair Hospitaal en de kazernes werden voorzien. Om daar melk te mogen leveren moest een contract worden afgesloten. De menagemeester kwam per- soonlijk op de boerderij afrekenen. In de hoop dat het contract verlengd werd kreeg hij na de betaling een fooi. Deze steekpenning was ongeveer een rijksdaalder. Klaasje ging in de beginjaren heel vroeg naar de kazerne om melk naar de keuken te brengen. Voordat ze daar was kwamen de soldaten
al naar haar toe om hun veldflessen te laten vullen. Zodoende had Klaasje dan, om zes uur in de morgen, haar eerste handgeld al binnen.
Jan was ook 's winters in de weer met allerlei werkzaamheden in en rond de boerderij. Daar behoorde ook het mestrijden bij in de winter. Mogelijk verongelukte Jan bijna door een op hol geslagen paard, want in de Gooi en Eemlander stond het volgende te lezen:
"Donderdagochtend 31 December 1897 kwart over elf sloeg het paard van De G. op hol, deze eigenaar een eind meesleepende. Aan het einde van de Oosteindestraat werd door het dier een hek omgeworpen en gebroken. Gelukkig vielen er geen persoonlijke ongelukken voor. 'Gelukkig' mogen we wel zeggen, want eenige minuten later was de straat vol van de Openbare School verlatene kinderen".
[Als er een politierapport is uit die tijd, dan zal daarin wel de volledige naam zijn vermeld.]
In de boerderij aan de Lange Pijlsteeg werden de jongste zes kinderen geboren en wel:
Alida Cornelia op 3 oktober 1896, Cornelia Johanna op 16 september, Wilhelmus Hermanus op 18 augustus 1900, Lambertus Johannes op 26 januari 1903, Johanna Hendrika op 18 augustus 1905 en Johannes Jacobus op 14 augustus 1909.
DE ERFGOOIERS IN DE KNEL.
Rond de eeuwisseling zijn er troebelen in het Gooi. Onenigheid en tweespalt tussen de Gooise gemeentebesturen en de erfgooiers. Het gaat over de bestuursvorm van Stad & Lande van Gooiland, het instituut van de erfgooiers. De hoofdoorzaak is de bedreiging die uitgaat van het 'oude' bestuur van Stad & Lande, dat bestaat uit de burgemeesters van de stad Naarden en van de Gooise dorpen. Vóór de aanleg van de Oosterspoorlijn door het Gooi in juni 1874, kwamen de burgemeesters nog enigszins op voor de belangen van de autochtone bevolking. Dat gold vooral de dorpsburgemeesters, die vaak uit hun dorp stamden. Uiteraard omdat hun belangen parallel liepen met die van de autochtone dorpsbevolking. Met de komst van de spoorweg in het Gooi nam de rijke importbevolking toe. De burgemeesters en notabelen zagen hierin een betere bron om hun zakken te vullen. Ex-burgemeester van Huizen en Bussum, de 'heer' Langerhuyzen, was hiervan een goed voorbeeld. Hij stichtte in 1902 een 'Maatschappij tot exploitatie van bouwterreinen'. Als bestuurslid van Stad & Lande wist hij een uitgestrekt terrein rond Crailo in handen te krijgen. Hierop volgde machteloos verzet van een aantal erfgooiers. Maar 'Geld dat stom is, maakt recht wat krom is'. De actievoerende erfgooiers werden voor het 'gerecht' gedaagd en veroordeeld. Het verzet van de autochtone erfgooiers nam grotere vormen aan toen er een wijziging kwam in het stelsel van de schaarmeesters. Er ontstonden twee partijen, de zogenaamde 'Oude partij' en de 'Nieuwe partij'. De nieuwe partij koos als voorzitter Floris Vos, die eigenaar was van de modelboerderij Oud Bussem. Op de naastgelegen 17e eeuwse boerderij rustte een dubbel schaarrecht. Hijzelf was afkomstig uit Utrecht, maar zijn voorouders waren erfgooiers. In het bestuur van de nieuwe partij en tevens in de gemeenteraad zat ook Cornelis de Gooijer, de oudste broer van Jan.
De twist in het Gooi laaide hoog op. Terwijl de leden van de oude partij toegang tot de meenten kregen, werd dit aan die van de nieuwe partij geweigerd. Tot die nieuwe partij behoorde ook Jan Willemsz de Gooijer. Vaag herinnerde zich zijn zoon Herman als ca. elfjarige jongen te zijn meegegaan in een roeiboot. De inzittenden hadden zich bewapend met stokken, waarin spijkers waren geslagen. Deze gebeurtenissen speelden ca. 1903. In dezelfde tijd vond in Zuid Afrika de Boerenoorlog plaats. Onder de Nederlandse bevolking was veel sympathie voor deze zogenaamde Afrikaner boeren. Zoon Herman zong later nog veel het populaire liedje uit die tijd: "En de boeren hebben overwonnen, hiep, hiep, hoera ....." Mogelijk droeg deze stemming bij in het verzet van de Gooise boeren, waarbij het tot een harde konfrontatie kwam met de overheid:
In 'Malbak' (Blaricum) werd het meenthek bewaakt door rijksveldwachters. Dit hek was gelegen in de zogenaamde koedijk die de meent van de Eng (bouwland) afsloot. [prikkeldraad bestond nog niet] Het dijkje bestond uit opgestapelde graszoden met daarlangs aan de meentzijde een greppel. Het was nodig omdat in de hooggelegen meent aldaar, een droge scheisloot geen vee tegenhield. Toen in 1903 een aantal boerenzonen een stukje verderop bezig was een opening in de koedijk te graven, riep de Blaricumse burgemeester de hulp in van militairen. De erfgooiers waren ongewapend en boden geen verzet. Het 'gezag' trad echter op, zoals het toen steeds sociale misstanden 'oploste' of 'bestreed'. Er volgde geen waarschuwingsschot in de lucht. [Ook al beweerde de Gooi en Eemlander dit, zonder getuigen te horen.] Er werd ook niet op de benen, maar gericht geschoten. Daarbij werd een 22-jarige Laarder doodgeschoten. De jongen stond ter goede naam en faam bekend. Dit was een duidelijke politieke MOORD ! De zaak werd nooit uitgezocht. Een strafzaak tegen de commandant en de schietende militair volgde niet. Mogelijk werd hij onderscheiden. De schuld lag uiteraard bij de overheid.
Tenslotte matigde de toenmalige regering zich aan om de erfgooierskwestie te regelen. Bij vroegere belangrijke beslissingen werden de erfgooiers geraadpleegd en werd hoofdelijk gestemd. In 1912 kwam zonder inspraak de erfgooierswet tot stand. Hiermee kreeg het eeuwenoude instituut 'Stad en Lande van Gooiland' een moderne 'wettige' basis.
Van ouds her hadden de erfgooiers gemengde bedrijven. Het was zelfs zo, dat het vee oorspronkelijk werd gehouden ten behoeve van de mest voor het bouwland. De koeien stonden in zogenaamde potstallen op een dikke laag stro en heideplaggen. Rondom de dorpen lagen de Engen waarop vooral rogge en boekweit werd verbouwd. Voor de verbouw van boekweit was schapenmest het beste. Daartoe hielden vooral de Laarders en Hilversummers schapen op de heide. Beide dorpen hadden hiertoe de meeste rechten, omdat zij het verste van de meentgronden gelegen waren. Wie veel schapen hield mocht geen koeien weiden. Jan bezat zelf geen bouwland. Hij pachtte drie akkers, eerst van schoonvader Harmen en na diens overlijden van zwager Tijmen. Dit bouwland lag in de Bussummer Eng achter de herberg De Gooische Boer. Hij verbouwde daar rogge, bieten en aardappelen. Er werd wisselbouw toegepast, pas om de drie jaar weer hetzelfde gewas op dezelfde akker. De zandgrond was onvruchtbaar en vroeg veel mest met heideplaggen, dat op het geploeghde land werd gestrooid. De plaggen voorkwamen het wegstuiven van de grond. De voerbieten waren voor het eigen vee. De rogge ging naar de bakker voor roggebrood. Ook ging roggemeel in de dagelijkse ochtendpap en in de bloedworst die Klaasje maakte. De aardappelen van de Eng smaakten niet lekker, toch kwamen er vaste klanten voor. Het gezin at zelf prima aardappelen die zij verbouwden op de tuingrond van 'De Plak'.
In de jaren die volgden kwam steeds meer bouwland in handen van 'projectontwikkelaars'. Het eeuwenoude patroon van het gemengde Gooise boerenbedrijf kwam in de verdrukking. Vooral in Naarden voltrok zich dit proces al vroeg. Het bouwland rond de vesting was reeds een eeuw lang in handen van kapitaalkrachtige personen, zoals Van Rossum. Deze gronden werden afgezand en omgevormd tot landgoederen, tuinderijen en boomkwekerijen. De Naarder boeren konden zo goed als geen gewas meer verbouwen. Hun koeienmest lever-den ze noodgedwongen aan de kwekerijen, omdat zij zelf geen of weinig bouwland meer bezaten. Ook op aan de meent kon niet geleverd worden, want daar paste men al snel kunstmest toe. Het hoofdberoep van de boeren werd sindsdien veehouder en melkboer.
ONDERLINGE FAMILIEBANDEN MET BROERS EN ZUSTERS.
De ouders van Jan waren met negen kinderen naar Naarden gekomen, alwaar nog dochter Aaltje geboren werd. Het gezin bestond uit zeven jongens en drie meisjes. Drie van Jan's broers stierven relatief jong.
Broer Gerrit overleed reeds op 20-jarige leeftijd in 1875.
Broer Pieter werd 54 en stierf in 1905. Hij woonde tot aan zijn dood op de ouderlijke boerderij in de Bussummerstraat. (thans ter plaatse van nr. 44 en 44a) Na het overlijden van zijn vader woonde hij daar met zijn moeder Mietje tot zij in 1899 overleed. Zijn nichtje Marie deed vanaf toen zijn huishouding. Zij was een dochter uit het eerste huwelijk van broer Cornelis. De verstokte vrijgezel Pieter trouwde op 48 jarige leeftijd met de 38 jarige Cornelia (Kee) de Zwart uit Blaricum. In 1902 kocht Pieter de boerderij met de achterliggende moestuin van Helena Dankelschijn. Mogelijk was het geld afkomstig van Cornelia, want zij bezat bouwland in de Blaricummer Eng. In 1903 vergroot hij de boerderij met een aanbouw op zijn erf. In dat jaar wordt dochtertje Maria Cornelia geboren, zij overleed na 4 maanden. Na het overlijden van Pieter was Kee de enige erfgenaam. Zijn weduwe hertrouwde met veehouder Schouten en bleef op de boerderij wonen.
Broer Lambertus stierf op 45-jarige leeftijd in 1896. Hij was in 1881 getrouwd met Maria (Mietje) Schragen. Zijn weduwe bleef achter met 5 jonge kinderen. Tot 1903 moest zij haar gezin onderhouden als bruggewachtster. Zij bediende de Gele Brug over de Muidertrekvaart en woonde daar tegenover in een zogenaamde Rijkswoning. Vóór en tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte zij ook de lokalen schoon van de Openbare Lagere school. Zij ontving daarvoor 50 cent per lokaal en per week. Alleen al het schoolgeld voor twee van haar kinderen kostte al 75 cent per week. Willem, de zoon van Lambert en Mietje, werkte vóór 1907 als melkknecht bij zijn oom Jan voor f 12.- in de week. (of dit zijn enige bron van inkomsten was is niet bekend) Willem had een sympatiek karakter. Het gezin van oom Jan en tante Klaasje was zeer op hem gesteld. Vooral bij zijn nichten was hij geliefd. De dochters van Klaasje spraken gekscherend over ONZE Willem. Hierop zeiden zijn zusters Marie en Meintje om strijd: "Nee het is ONZE Willem".
De twee andere zonen waren Gerrit en Rijk.
Broer Hendrik trouwde mei 1877 met Cornelia (Kee) Krijnen. Zij was de oudste zuster van Klaasje, de echtgenote van Jan. Het echtpaar woonde in een boerderij op de hoek van de Wijde Markstraat/Duivensteeg. Hij was veehouder, meentbeambte en tevens stierhouder en stond bekend als 'Hein de Bullenboer'. Zomers deed Hein met zijn stier de ronde op de Naarder Meent. Hij kondigde zijn komst aan door op een grote ossenhoorn te blazen. In de winter werden de koeien ter dekking naar zijn boerderij gebracht. Vaak moest Hein daarbij de stier een 'handje' helpen. Dit laatste tot grote hilariteit van de buurtjongens die, glurend tussen de kieren van de schutting, het gebeuren nauwlettend volgden.
Het gezin bestond uit twee zoons en twee dochters. Kee overleed in 1924 en Hein in 1931. De vrijgezelle dochters Marie en Bertha, bleven op de boer-derij wonen en behielden daarom het schaarrecht. De melk van hun koeien ventten zij zelf uit. De oudste zoon Willem betrok een boerderij op de Keverdijk. De jongste zoon Herman werd hoofdopzichter bij de erfgooiersvereniging 'Stad en Lande van Gooiland'.
Broer Jacob bezat een boerderij in de St. Vitusstraat. Hij was tevens opzichter bij één van de zandafgravingen in het Gooi. De gravers werden 'Muizen' genoemd en daarom kreeg Jacob de bijnaam 'Muizenkoning'. Zijn kroost noemde men dan ook de 'muizenkinderen'. Zijn zoon Jan werd in de jaren dertig 'bullenboer' en stond bekend als 'Jan de Muis'. De bijnamen waren nodig om de verschillende neven en ooms uit elkaar te houden.
Jacob was getrouwd met Marie Bitterling. Vanwege haar karakter werd zij in de familie 'bitter ding' genoemd. Het echtpaar kreeg negen kinderen, warvan er twee als baby overleden. Zij hadden twee vrijgezelle dochters Thera en Marie. Net als hun nichten van oom Hein, hebben zij een tijdlang melkgevent. De oudste zoon Willem, genoemd naar zijn grootvader, had een verlamd been. Zoals toen gebruikelijk was koos hij een zittend beroep en werd schoenmaker. Zoon Gerrit trad in een klooster en werd broeder Amadeus.
De oudste broer Cornelis was in 1839 geboren in Blaricum. Van al zijn broers was hij de enige die in de militaire dienst moest en wel bij het eerste regiment dragonders. (een afdeling van de cavalerie) Hij trouwde in 1870 met Cornelia de Jong en begon een boerderij in de Kooltjesbuurt nr. 495. Hier werden zoon Willem en dochter Maria en Magaretha geboren. Maria overleed aldaar op 1-jarige leeftijd. De Kooltjesbuurt was gelegen op het bastion Oud Molen. Omstreeks 1873 werden ook de vestingwerken op dit bastion verbeterd. Bijna alle daar gelegen panden werden afgebroken om ruimte te maken voor bomvrije portenes. Cornelis verhuisde naar de Gijgelstraat 126, waar dochter Maria in januari 1875 werd geboren en haar moeder Cornelia 7 maanden later overleed.
Cornelis hertrouwde in 1876 met Wilhelmina Dorresteijn. Samen kregen zij drie dochters en vier zoons. Op 31 oktober 1896 kocht hij voor f 2450.- de boerderij St. Vitusstaat. Cornelis was actief in de plaatselijke en Gooise politiek. Hij was raadslid van de gemeente Naarden van 1903 tot 1909. Bovendien zat hij in het bestuur van de door Floris Vos gestichte 'nieuwe partij' van de erfgooiers. Deze partij stelde de wantoestanden binnen het instituut van 'Stad en Lande' aan de kaak. Mede door acties van Cornelis en de zijnen, werd uiteindelijk de erfgooierswet van 1912 aangenomen. Dankzij deze wet verbeterde niet alleen de onderlinge verhoudingen, maar vooral de meentgronden. De bedrijfsvoering van de kleine boeren werd verbeterd, totdat het gebrek aan grond ten behoeve van de woningbouw het einde van de scharende erfgooiers inluidde.
Zoon Elbertus ging omstreeks 1905 met kapelaan Vergouwen naar Slagharen. Vergouwen werd aldaar pastoor en Elbertus woonde 11 in op de pastorie en trouwde in 1916 met Maria Aleida Busscher. De zoons Jan en Piet werkten eerst op de boerderij van hun vader. Jan bleef op de ouderlijke boerderij en Piet betrok een boerderij in de Cattenhagestraat. Zoon Gerrit trouwde Dina Hartong en bewoonde enkele huizen in de Bussummerstraat. Een begrip in de familie was halfbroer 'Willem de Matroos', die beroeps was bij de marine. Zijn zus Marie was getrouwd met Thadeus Snoek die een boerderij bezat tussen de Turfpoortstraat en de St. Annastraat.
ONDERLINGE BAND MET SCHOONFAMILIE
Jan had nog een schoonvader en drie zwagers 'Krijnen', die vestingboer waren. Deze zwagers waren zonen van de schoonouders Harmen Krijnen en Emmetje Dekker.
Zwager Lambert, trouwde mei 1881 met Aaltje, de jongste zuster van Jan. Zij betrokken de boerderij St. Vitusstr. 127. Later verhuisden ze en huurden een boerderij in de Gansoordstraat. Het erf grensde aan de Raadhuisstraat en was gelegen naast de Portugese Synagoge.
Lambert kreeg tijdens de hooibouw een ernstig ongeluk. Nadat de hooiwagen was geladen werd op het voer hooi een weesboom gelegd. Doormiddel van een touw werd de paal op het hooi vastgesnoerd. Bij het gorren brak de paal met veel geweld en Lambert kreeg deze op zijn hoofd. Hierdoor raakte hij zoda-nig verlamd, dat hij zijn werk in de stal op zijn knieën moest doen. In 1899 overleed hij op 43 jarige leeftijd aan een hersentumor.
Lambert zou, naar men zei, angst gehad hebben om levend te worden begraven. Hij wenstte daarom in de bovenste kist in het graf gelegd te worden. Er ging in Naarden namelijk een verhaal over een man, die tijdens een epidemie was gestorven en met spoed was begraven. In het graf kwam de schijndode man weer tot leven, lag gelukkig in de bovenste kist en kon zich uit het graf wurmen. Rond middernacht kwam hij thuis, kwam voor een gesloten deur en wachtte op de stoep de morgen af.
De weduwe Aaltje zette het bedrijf voort met haar jonge zonen. In 1903 kocht zij de boerderij voor f 3200.-. Het ongeluk bleef het gezin volgen. In 1904 brak brand uit in een winkel aan de Raadhuisstraat en die sloeg over op de boerderij. Na de brand liet Aaltje een nieuwe boerderij bouwen, waarvan het woonhuis (nr. 15) nog steeds bestaat. Lang heeft Aaltje er niet gewoond. Zij kwam in 1917 te overlijden door een val van de keldertrap.
Zwager Jacob trouwde in mei 1877 met Johanna Hanou. Zij vestigden zich eerst in de Regenboogstraat 403a. Later verhuisden zij naar de boerderij die gelegen was aan de Beijert en die grensde aan het Promersplein. Het gezin bestond toen uit drie jongens en vijf meisjes. In 1903 vierde het echtpaar hun zilveren bruiloft. Bij die gelegenheid werd een foto gemaakt waarop het hele gezin en de overige familieleden vereeuwigd werden. Johanna stierf in 1922 en Jacob volgde in 1923. Hun zoon Jacob nam de boerderij over totdat in 1929 in een belendend perceel brand uitbrak. Het vee kon gered worden, maar de brandschade was zodanig dat de boerderij werd gesloopt en niet meer herbouwd. Zoon Bertus stichtte de modelboerderij Sanitas aan de Lambertus Hortensiuslaan, in navolging van de beroemde Modelboerderij 'Oud Bussum'.
Zwager Tijmen trouwde mei 1896 met Johanna de Bruin en trok in zijn be-jaarde ouders. Hij zette de boerderij aan de Gansoordstraat voort. Zijn moeder Emmetje overleed in 1899 en vader Harmen in 1902. Tijmen erfde het grootste deel van de boerderij. Tot 1915 bleef Tijmen scharend erfgooier. Waarschijnlijk ontbrak bij hem het 'boerenhart', hij verkocht een flink stuk van het perceel aan de Gansoordstraat en liet op een ander deel enkele huizen bouwen. Hij werd van koeienmelker huisjesmelker. Zelf woonde hij daarna als niet-scharende erfgooier op het adres Raadhuisstraat 10. Het enige kind van het echtpaar was dochter Berdina, die na haar huwelijk naar Hilversum verhuisde. Tijmen en Johanna Op oudere leeftijd trokken Tijmen en Johanna bij hun dochter in.
Zwager Jan was doofstom vanaf zijn vroegste jeugd, hij zou als baby ge-vallen zijn. Naar verluidt zou hij door iemand omhoog gegooid zijn en niet goed opgevangen. Als negenjarige vertrok Jan naar het kort tevoren gestichte instituut voor doofstommen in St. Michielsgestel. Hij leerde daar geba-rentaal en het kleermakersvak. Vooral zijn zussen Kee en Klaasje konden via gebaren uitstekend met hem converseren. Iedere grote vacantie kwam Jan naar huis. Het dichtsbijzijnde station was Utrecht, want de 'Oosterspoorlijn' door het Gooi was nog niet aangelegd. Vader Harmen haalde hem in een koetsje af, in het gezin was het dan feest. Als 17 jarige kleermaker keerde Jan voorgoed naar Naarden terug. Hij trouwde in 1887 met Cornelia Bijlhouwer. Van vader Harmen erfde Jan het woongedeelte van de boerderij, waar hij ging wonen en zijn kleermakersvak uitoefende. Het echtpaar kreeg vijf dochters en twee zoons. Echtgenote Cornelia overleed in 1907 en Jan bleef met zijn kinderen achter, de jongste was pas twee. Hijzelf overleed in 1923 en daarna verlieten ook zijn jongste kinderen Naarden voorgoed.
Tot het overlijden van broer Pieter de Gooijer in 1905, waren er binnen de vesting van het totaal van ca. 18 boeren er zelfs 8, die tot de families 'de Gooijer' en/of 'Krijnen' behoorden. De onderlinge familieband was groot.
ONDERLINGE FAMILIEBANDEN TUSSEN
NEVEN.
De boerenbedrijven van Jan, zijn broers en zwagers waren te klein om al hun zoons werk te bieden. Bovendien was er weinig toekomst voor het boerenbedrijf in het Gooi. Andere banen en beroepen waren begin 1900 ook nauwelijks aanwezig. Toch wilden de meeste zonen traditioneel in de voetsporen van hun voorvaders treden. Zij waren opgegroeid op de boerderij en hadden een 'boerenhart'. Hun vaders hadden in hun jeugd als boerenknechten gewerkt in plaatsen aan de rand van het Gooi. Mogelijk was daar rond de eeuwwisseling door de landbouwcrisis weinig emplooi. Waarschijnlijk bij toeval werd een werkterrein ontdekt, dat bij veel 'de Gooijer' en 'Krijnen' neven zou aanslaan. Jaarlijks spoorde een grote groep katholieke Gooiers met de Gooische Bedevaart naar Kevelaar in Duitsland. Daar had men gemerkt dat in die omgeving veel vraag was naar arbeidskrachten in de veehouderij. Rondom de grote industriesteden in het Roergebied lagen grote melkerijen waar een tekort was aan melkknechten. Deze knechten werden ter plaatse 'Schweizer' genoemd, omdat het werk vroeger gedaan werrd door Zwitsers. Hoe de contacten tot stand kwamen is onbekend. In ieder geval bleek Willem, de zoon van Hein de Bullenboer, als eerste uit de familie als Schweizer in dienst te zijn getreden. Maart 1905 vertrok hij naar 'Kreis Moers'. (net over de grens bij Venlo gelegen)
In 1906 volgde zijn neef Jan Jacobsz de Gooijer. Langzamerhand volgden nog meer neven uit de familie de Gooijer, zoals Willem Lambertsz in 1907, Gerrit Lambertsz in 1908 en Jo Jacobsz de Gooijer in 1910.
Bij thuiskomst vertelden ze enthousiaste verhalen. De verdiensten waren goed. Er kon in Duitsland zelfs gespaard worden voor een fiets, zodat ze eventueel de treinreis konden uitsparen. Het avontuur trok ook de jongere neven, ook zij werden Schweizer. Zo vertrokken 'Herman van de Bullenboer' en zijn neef Rijk Lambertsz de Gooijer. In 1911 vertrok ook Herman, de oudste zoon van Jan en Klaasje, naar Duitsland. Hij kwam te werken op een melkerij in Schaephuysen. Uit de aangetrouwde familie volgden de neven Bertus Lambertsz en Gerrit Lambertsz Krijnen.
Soms namen ze een dag of acht verlof om met de trein naar huis te gaan. De 100-jarige herdenking van de aftocht van de Fransen op 12 mei 1914 kwamen ze meevieren.
Minstens tien neven uit de familie 'de Gooijer / Krijnen' verbleven kortere of langere tijd in de streek rond Moers. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden de laatste daar verblijvende neven opgeroepen voor het Nederlandse leger. Willem Lambertsz de Gooijer legde die episode en zijn ervaringen als Schweizer vast in een dagboek. Uit mondelinge overlevering is niet veel bekend gebleven. De bittere ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog maakte het begrip 'werken in Duitsland' tot een taboe. Het werk van een Schweizer hield in, dat ieder een grote stal met koeien moest verzorgen. Hun taak was zowel het voeren van de dieren als het uitmesten van de stal. Het belangrijkste was het driemaal per dag melken van de koeien. (terwijl dit normaal maar tweemaal gebeurd) Melkmachines ontbraken, alles moest met de hand gebeuren. Ondanks de stevige knuisten van de ervaren boerenzonen, kregen zij in het begin zeer pijnlijke polsen.
DE EERSTE WERELDOORLOG.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog mobiliseerde ook het Nederlandse leger. Alle dienstplichtigen werden opgeroepen, ook degenen die in het buitenland verbleven. De dienstplichtige Schweizers gehoorzaamden aan de oproep die ook in de Duitse kranten stond. De lagere overheden in Duitsland bemoeilijkten wel de gang naar de grens, ze wilden voorkomen dat dienstweigeraars het land zouden verlaten. Willem Lambertsz beschreef in zijn dagboek hoe dat alles in zijn werk ging en hoe hij terugkeerde in Naarden. Zijn indrukken bij zijn thuiskomst beschreef hij als volgt:
"Zoo kwamen we dan ten laatste in de nacht van Donderdag op Vrijdag 7 Augustus om half 1 in ons dierbaar stadje Naarden aan, onderweg hadden we al gelegenheid om de vruchten van de mobilisatie te aanschouwen, al die mooie boomen langs de Laarderweg waren meedoogenloos omgehakt de ondereinjes stonden er nog, ook had men al eenige huizen gesloopt een maatregel die ik nooit goed zal keuren, mij dunkt dat daar altijd nog wel tijd voor had geweest als het er op aan kwam.
Vrijdag 's morgens was mijn eerste werk in mijn zakboekje kijken waar ik mij moest legeren. Ik had gedacht dat ik naar Wormerveer moest, maar ik kon mijn oogen haast niet gelooven toen ik daar las, dat ik mij te begeven had naar Naarden (Oud Molen). Ik zocht mijn bullen bij elkaar en toog op reis en na eenige keeren heen en weer gestuurd te zijn kwam ik ten laatste op mijn bestemming aan en wel in kazerne 'Oranje'.
Het was eerst een mooie boel hier in de stad. De tram mocht niet door de stad en niemand kon van buiten de stad binnen komen tenzij men een zoogenaamde pas had en wij militairen mochten er heel niet uit. Het was dan ook 's avonds kolossaal druk, want dan kwamen er veel familieleden en bekenden van de soldaten over, doch vooral 's Zondags dan was het 'ernorm'.
Doch na een paar weken kwam daarin verandering , want op den duur had dat toch niet goed gegaan om al die soldaten maar steeds thuis te houden en daarom werd toegestaan dat elke dag een zevende gedeelte met verlof kon gaan. Toen was het met de grootste drukte uit, en eindelijk mochten we ook 's avonds de stad uit, maar 's avonds om 9 uur binnen. Later werd het 10 uur en met 1 Februari 11 uur............. "
Verder beschreef Willem hoe het hem en vele anderen dienstplichtigen in Naarden verging.
Naarden was duidelijk overvol met militairen, volgens andere bronnen waren 4000 man binnen en om de vesting gelegerd. Veel soldaten werden ingekwartierd bij burgers, maar vooral bij boeren. Op de boerderij de Pijlsteeg sliepen soldaten op de deel in het stro. Ook stonden daar legerpaarden op stal. De winkels deden goede zaken en de plaatselijke cafe's konden de drank niet aanslepen. Voor de melkventende veehouders was het ook een goede tijd. Wel vorderde het leger hier en daar paarden en wagens. Herman, de oudste zoon van Jan, werd niet direct in dienst opgeroepen. Wel moest hij met het paard van zijn vader vanuit Naarden kanonnen wegbrengen naar Utrecht.
Kort daarna moest ook zoon Herman, net als zijn neven, in de militaire dienst. Naar zijn zeggen was dit de mooiste tijd van zijn leven. Hij werd zelfs sergeant bij de infanterie en daar was hij best trots op. Hij werd in Alkmaar gelegerd, maar in een latere periode zelfs in Naarden. Tijdens een ziekte lag hij tegenover zijn ouderlijk huis in het Militaire Hospitaal
in de Gansoordstraat. Volgens vage geruchten zou hij weleens tegen betaling van de sergeant-majoor verlofpasjes gekregen hebben. Tijdens dat verlof hielp hij zijn vader op de boerderij. Mogelijk kreeg hij zonder te betalen 'landbouwverlof', dat zelfs nog in de vijftiger jaren voorkwam.
OVERSTROMING DOOR DE ZUIDERZEE.
De vesting Naarden lag tussen twee winterdijken, de Oost- en Westdijk. Om overstroming door de Zuiderzee van het achterland te voorkomem lagen in de vestinggrachten bij de bastions 'Oranje' en 'Oud Molen' stenen dammen, 'beren' genaamd. Bij najaarsstormen werd het zeewater in de Zuiderzee opgestuwd en overstroomde de zomerdijken in het buitendijksgebied. Om de (zomer) zanddijk langs de Naarder Meent te ontlasten had men ten oosten van Fort Ronduit een overlaat bekleed met basaltblokken aangelegd. Hat water kon nu via de overlaat het buitendijks gebied instromen en stond dan aan weerzijde van de zanddijk zonder dat deze weggespoeld werd. De zee bracht dan een laagje vruchtbare klei op de weiden, die daarom nooit bemest behoefden te worden. Kwam de zee te vroeg over, dan moest men het vee achter de Westdijk in veiligheid brengen.
De buitendijkse gedeelten van de bastions 'Oranje', 'Katten' en 'Oud Molen' dienden tevens als winterdijk. Het water van de Zoute Gracht aldaar was 's winters zo brak, dat deze alleen bij strenge vorst dichtvroor. Tussen 'Katten' en 'Oud Molen' lag onder de Zeebrug de open verbinding tussen de Zoute gracht en de Oude Haven. Bij aanhoudende noordwester storm, werd het water in de Oude Haven opgestuwd, tengevolge waarvan meermalen de straten met zeewater overstroomden. Teneinde het water in de Oude Haven te kunnen keren, werd vanaf 1825 een dubbele rij schotbalken in de doorgang van de Zeebrug aangebracht door de genie. 's Zomers werden deze balken weer door de militairen verwijderd. Bij de hoge watervloed in januari 1916 had het leger verzuimd de schotbalken tijdig aan te brengen. Benoorden de Marktstraat was de stad dermate met zeewater overstroomd, dat de ingezetenen slechts per roeiboot hun woningen konden verlaten. Bij de Oude Haven stond het water 1 1/2 meter hoog.
Het water kwam ook in de Lange Pijlsteeg en de helft van de Gansoordstraat liep onder. De porder kwam 's nachts bij Jan op de luiken van de boerderij kloppen en riep: "De zee komt over". Om het vee te beschermen werden de hooischuurdeuren met zand gedicht, zodat het water niet naar binnen kon. Het zand haalden Jan en zijn zonen van het erf. Het water was na een dag weer weg.
HET VOORHUIS GANSOORDSTRAAT 31.
Het voorhuis werd door Jan de Gooijer tot november 1922 aan burgers verhuurd. Zoon Hermanus Wilhelmus (Herman) trouwde op 19 januari 1920 met Maria Wendelina Post en woonde tijdelijk in bij zijn neef Willem op de Schapenmeent. Herman werkte zijn eerste huwelijksjaren bij zijn vader. Per 1 november 1922 huurde hij het voorhuis Gansoordstraat 31. Er werd een huurcontract opgesteld, dat per 30 april 1924 eindigde. De huur bedroeg wekelijks f 5.-. In dit huis werden zijn oudste kinderen, Jan, Annie en Inie, geboren. Na Herman huurden achtereenvolgens zijn broers deze woning. Eerst Wilhelmus Hermanus (Wim), dan Lambertus Johannes (Bep) en als laatste Johannes Jacobus (Jan). Praktisch alle oudste kleinkinderen van Klaasje werden hier geboren.
DE WEDUWE KLAASJE DE GOOIJER-KRIJNEN.
Jan Willemsz de Gooijer overleed op 71-jarige leeftijd de 24 ste april 1924 in zijn boerderij. Hij werd begraven op het Rooms Katholieke kerkhof 'achter Jan Tabak'. Zijn vrouw Klaasje was toen 58 jaar. Zij dacht er niet over om met het boerenbedrijf te stoppen. Met behulp van haar zonen zette ze het bedrijf voor. Zij had een wilskrachtig en dominant karakter en was duidelijk de baas, alles werd gedaan zoals zij het bepaalde. Haar meeste kinderen woonden nog thuis. Het gezin bestond nog uit de zonen Wim van 23, Bep van 21 jaar, Jan van 14 jaar en de dochters Alie van 27 en Cor van 25 jaar. De 18 jarige dochter Annie studeerde voor onderwijzeres in Maastricht. Dochter Emma trad in bij de 'Orde van het Arme kindje Jezus' en nam 'Francisca Josepha' als kloosternaam aan.
Tot na 1945 bleef zij boerin in hard en nieren. Tot die tijd was zij de baas. De huishouding werd eerst gedaan door dochter Alie en daarna tot 1935 door een 'vreemde' dienstbode, totdat zoon Herman haar zijn 13 jarige dochter Annie voor dag en nacht schonk. Aan Annie werd geen keus gelaten en ook naar de mening van haar moeder werd niet gevraagd. Zij bleef opoe Klaasje goed verzorgen tot haar overlijden in 1956.
Het boerenwerk werd gedaan door een knecht. Assistentie verleenden in hun 'vrije tijd' zoon Jan en Bep die zelfstandige 'melkboer' waren en zoon Herman die ook nog zijn eigen boerenbedrijf runde. Klaasje vond dit dood-gewoon. Tekenend voor haar was de houding die zij aannam toen zij op zeer hoge leeftijd niet met haar huishoudgeld uitkwam. Een zoon stelde haar voor om een hypotheek te nemen op de geheel onbelaste boerderij. Zij werd kwaad en zei: "Ik heb vier zonen, ik pak hier wat en ik pak daar wat". Daarbij maakte zij graai bewegingen op de tafel. Klaasje was een sterke vrouw en een geweldige moeder. Zoon Herman vooral had veel respect voor haar, hij dweepte met zijn moeder. Klaasje was altijd belangstellend voor haar getrouwde kinderen en haar kleinkinderen. Ze was bij hen zeer geliefd.
SCHAARGELD.
Voor het het scharen op de meent betaalden de erfgooiers schaargeld. Na de tweede wereldoorlog was dit bedrag lager dan in de vooroorlogse tijd. Vooral tijdens de crisisjaren drukte dit zwaar. De 23e januari 1932 dienden de erfgooiers bij Stad en Lande een verzoek in om de schaargelden te verlagen. Onder het verzoek van Naarden stonden 17 handtekeningen, o.a. can C. de Gooijer Wz, W. de Gooijer Hz, W.H. de Goo9ijer Jz, Wed. J. de Gooijer-Krijnen, J. Krijnen, G. de Gooijer Cz, H.W. de Gooijer Jz, H. Krijnen en B.H. Krijnen.
In 1938 betaalde de weduwe Klaasje de Gooijer-Krijnen per jaar f 389,60 . Dat bedrag was als volgt opgebouwd:
14 koeien : f 280.- ; 2 pinken : f 28.- ; 2 kalveren : f 10.-; 3 overtollig stuks vee ; f 67,50 ; volle schaar f 4.- en zegelkosten f 0,10.
Tijdens WO II werd door de bezetter vee gevorderd. De zogenaamde leveringen waren voor de 'Voedselvoorziening' en de Wehrmacht. Omdat het 'geleverde vee' niet het gehele seizoen in de wei had gestaan, vroeg iedere erfgooier een gedeelte van het reeds betaalde schaargeld terug. Ook Klaasje deed dit en schreef het volgende briefje aan 'Stad en Lande' :
Naarden, 10 December 1942
Aan de Zeer Geachte Heer Secretaris van Stad en Lande van Gooiland,
Mijnheer,
Gaarne zou ik voor de door mij geleverde koe op 2 Juni Ke 80 gedeeltelijke ontheffing van schaargeld willen hebben.
Wed. J. de Gooiijer, Pijlstraat 6, Naarden.
De 15e december 1942 ontving Klaasje antwoord en een restitutie van 1/3 schaargeld, groot f 6,66. Hieruit bleek dat ondanks de geweldige geldontwaarding en prijsstijgingen het schaargeld van f 20.- per koe sinds 1938 gelijk was gebleven.
HOOIBOUW.
In de hooibouwtijd hielpen de zonen, naast het werk in hun eigen bedrijf, ook bij het binnenhalen van het hooi van moeder Klaasje. Het maaien gebeurde voor 1945 nog met de zeis, hiervoor werden ook maaiers ingehuurd. Vier weken lang was men tot laat in de avond in de weer. Klaasje pachtte in de Buitendijken hooiland en koos uit zuinigheid hooiland gelegen tegen Muiderberg. Hoe verder van de Vesting, hoe lager de pacht. Vóór de verkaveling in 1937 had dit grote nadelen. De hooiwagens moesten tot die tijd over een onverhard zomerdijkje rijden. Mogelijk maakte men wel een omweg over Muiderberg. Pas de aanleg van het met klinkers bestrate IJsselmeerweggetje bracht verbetering. Echter bleef de afstand tot de boerderij vijf kilometer. Met twee aan elkaar gekoppelde hooiwagens werd die afstand afgelegd. De mannen kregen een tekort aan slaap in deze drukke periode. Om niet op de bok in slaap te vallen bleef men met de leidsels in de hand naast de wagen lopen. Soms kwam men in de avond nog met vijf voeren hooi thuis. Om half elf losde men er dan nog twee. Daarna moesten de paarden nog naar de wei, maar er waren vaak jongens genoeg die wel zin hadden in een ritje van ongeveer een kilometer naar het Ondersloot. De volgende morgen moesten ze het paard weer ophalen.
Ook werden de vestingwallen gepacht, het was een hele toer om die stijle hellingen met de zeis te maaien. Duurder, maar beter waren de Oost- en de Westdijk. Zo pachtte op 19 februari 1941 de weduwe Klaasje de Gooijer-Krijnen voor f 91.- de Provinciale Zeewering. De lengte van genoemde 'Oostdijk' was 972 meter en de oppervlakte ca. 4 ha.
Op enkele foto's uit 1933 is te zien hoe de Klaasjes zonen bezig waren in de hooibouw. Voor een voer hooi stonden zij met het trouwe paard Moppie. Toen het paard na 20 jaar het zware werk niet meer aan kon, moest het vervangen worden. Het ging Klaasje aan haar hart, ze hield van het beest, maar wat te doen ? Ze verkocht het aan een betrouwbare slager. Bij de verkoop bedong zij teruggave van de paardenhoef met het brandmerk van 'Stad en Lande'. Ze wilde daarmee voorkomen dat de oude knol niet werd doorverkocht aan een sjacheraar die het zou afbeulen.
------------------------------------------------------
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
http://gooiland.vijftigplusser.nl/
Ten tijde van de geboorte van Jan waren zijn ouders, Willem de Gooijer en Mietje Vos, pachters op het landgoed dat gelegen was tussen Naarden en Huizen. Jan werd op 7 september 1852 geboren op de pachtboerderij, de Hof-stede Zuid Crailo. Vader Willem toog de volgende dag naar het dorp Huizen, want het landgoed behoorde tot deze gemeente. De ambtenaar van de burgerlijke stand aldaar maakte de volgende geboorte-akte op:
________________________________________________________________
Heden de Achtsten September Achtienhonderd
Twee en Vijftig is voor ons ondergeteekende, Ambtenaar van de burgelijke stand der gemeente Huizen ---------------------------- verschenen
Willem de Gooijer oud Drie en Veertig jaren,
wonende alhier ..................................... welke ons heeft
verklaard, dat te Huizen op den Zevenden Sep-
tember jongs leden des avonds ten acht ure,
in het huis staande op de Hofstede Zuid Crailo
is geboren een kind van het mannelijk geslacht, uit Mietje
Vos -------------- van beroep zonder
wonende mede alhier, zijn echtgenoot
welk kind zal genaamd worden Jan
Zijnde deze inschrijving gedaan op aangifte van den Vader
Van welke verklaring wij deze akte hebben opgemaakt in tegenwoordigheid van
Dirk Hogenbirk van beroep
..........., oud Vier en dertig jaren, wonende alhier
en van Evert van der Roest
van beroep arbeider oud Zes en twintig jaren, wonende
mede alhier en is deze akte na voorlezing door ons
benevens den ......... getuigen
onderteekend De Ambtenaar voornoemd
Ad. Rebel
Willem de Gooijer
D. Hogenbirk
Evert van der Roest
________________________________________________________________
Gedoopt werd Jan echter in Blaricum op 8 september, als doopgetuige trad op zijn tante Aaltje Hendrikse Vos. Nadat het pachtcontract van 6 jaar was af-gelopen, verhuisde vader Willem met zijn gezin op 30 april 1857 naar Naar-den. Willem huurde de boerderij Bussummerstr. 158 en 159 van Dankelschijn. Volgens het kadaster G 242 en G 243. [Huidige nummers 44 en 44a] Het bij-behorende erf en moestuin, volgens G 217 en groot 4,2 are, liep door naar de St. Vitusstraat.
Jan gaat een paar jaar later naar school, waarschijnlijk in de Schoolstraat. [De schoolstraat was het gedeelte van de huidige Pastoorstraat, dat ligt tussen de Bussummerstraat en de St. Vitusstraat.]
Over het contact tussen vader en zoon is weinig bekend. Wel is het volgende verhaal overgeleverd:
Willem zou niet erg oranjegezind zijn geweest, een logisch gevolg van enke-le eeuwen achterstelling van katholieken. In de periode dat Willem zich in Naarden vestigde was de spanning tussen protestanten en katholieken weer toegenomen. Bij veel protestanten ontstond, met steun van koning Willem III, een nieuwe golf van antipapisme. [Als gevolg van het in 1853 opnieuw instellen van R.K. bisdommen, voor het eerst sinds de 80-jarige oorlog.] Omstreeks 1870, op een 'oranje' feestdag, werd in Naarden druk gevlagd. Onder de Naardens waren fanatieke oranjeklanten. Personen die geen vlag uitstaken sleurden zij uit hun huizen om ze af te ranselen. Willem zou als dreigement een mes in de tafel gestoken hebben waarbij hij zei: "Als een geus mij aanraakt, dan krijgt hij hiermee te doen". [Of woorden van gelijke strekking.] Daarop sloop Jan naar buiten en schilderde 'ORANJE BOVEN' op de luiken. (1) [Wat zou hiervan waar zijn ? Zeker is dat de generatie van Jan, zijn broers en hun kinderen, zelf altijd vurige oranjeklanten zijn geweest.]
Naast de overgeleverde verhalen, zijn er schriftelijke bronnen over Jan. Uit het bevolkingsregister van Naarden blijkt, dat hij [net als sommige van zijn broers] in zijn jonge jaren vaak als inwonende boerenknecht buiten het Gooi heeft gewerkt. Op welke leeftijd hij elders ging werken is [nog] niet uitgezocht. Wel vermeldt het bevolkingsregister Jan's terugkeer in Naarden op 3 januari 1871. Hij is dan bijna 19 jaar en had een jaar of langer in Weesperkarspel gewerkt. Er is slechts één anekdote bekend over Jan's ver-blijf bij een van zijn bazen:
Jan werkte en was in de kost bij een papenhater. Het was daar geen vetpot en vlees kwam daar weinig op tafel. Uit pesterij kreeg Jan juist op vrijdag vlees, terwijl dit een verplichte vleesloze dag was voor Roomskatholieken. Bovendien kreeg hij bij deze zuinige boer weinig te eten. De boerin kookte voor het personeel voor meerdere dagen tegelijk een grote pan rijst en daar werd dagelijks uitgegeten. Vaak was de bovenlaag al bedorven, in dat geval schepte de boerin gewoon die laag er af en kreeg ieder een portie. (2) [Veel rijke burgers en boeren aten niet samen met het personeel.]
Jan bleef vervolgens van januari 1871 tot 24 december 1872 in Naarden. Vol-gens de overlevering zou hij meegewerkt hebben aan de verbetering van de vestingwerken in zijn woonplaats, mogelijk in deze tussenliggende periode. [In het hoofdstuk 'Militaire activiteiten in Naarden' staat meer hierover]
De dag voor Kerstmis 1872 werd het vertrek van Jan naar Muiden ingeschreven. Waarschijnlijk bleef hij daar werken tot zijn terugkeer naar Naarden op 1 maart 1876. In Muiden werkte hij dus ca. 3 jaar bij één of meerdere boeren. Daarna duurde het 2 jaar voor Jan weer vertrok. Mogelijk was hij die jaren thuis op de boerderij nodig. Zijn vader overleed namelijk 13 december 1877 en was de voorafgaande periode misschien wel ziek. Moeder Mietje moest dus een beroep doen op één van haar zonen. Haar oudste zonen, Cornelis en Hendrik, waren reeds getrouwd. Cornelis bezat al een boerderij, Hendrik mogelijk ook. Het kan dus zijn, dat Jan en/of andere broers moeder's bedrijf tijdelijk gerund hebben. Zoon Pieter bleef tot na moeder Mietjes overlijden op de ouderlijke boerderij. Jan vertrok 7 januari 1878 naar Muiderberg, waar hij verbleef tot 15 maart 1879.
Wanneer Jan thuis op de boerderij werkte, ging hij met zijn broers in het weideseizoen koeien melken op de Naarder Meent. Vooral het buitendijkse gebied was uitgestrekt en alle koeien van de Naarder erfgooiers liepen door elkaar. Van jongs af aan was Jan, net als andere boerenkinderen, meegegaan met de melkers om afgedwaalde koeien op te halen. Zodoende werden veel contacten tussen de verschillende erfgooiersfamilies gelegd. Het was dan ook geen wonder dat drie leden uit het gezin van Willem de Gooijer verkering kregen met drie uit het gezin van Harmen Krijnen. Jan koos Harmens dochter Klaasje Krijnen uit.
DE JEUGDJAREN VAN KLAASJE KRIJNEN.
In een boerderij gelegen tussen de Wijde Marktstraat (thans Raadhuisstraat) en de Gansoordstraat woonde het echtpaar Harmen Krijnen en Emmetje Dekker met hun gezin. Hun jongste dochter werd in het voorhuis aan de Wijde Markt-straat op 10 augustus 1865 geboren. Harmen deed aanngifte van de geboorte en de ambtenaar van de burgerlijke stand maakte de volgende geboorteakte op:
________________________________________________________________
N 62
Heden den Elfden Augustus ------------------ Achttienhonderd Vijf en Zestig, is voor ons ondergeteekende, Ambtenaar van den
burgerlijke stand der gemeente Naarden ---------- verschenen
Harmen Krijnen ------------ van beroep ------- landbouwer ----
oud drie en veertig jaren, wonende te Naarden numero drie
honderd vier en vijftig ------- welke ons heeft verklaard, dat
alhier te Naarden op den elfden Augustus dezes jaars --------
des nachts ------ ten half twee ure, in het huis staande op de
Wuijvert numero driehonderd vier en vijftig ------- is geboren
een kind van het vrouwelijk geslacht, uit Emmetje Dekker, zijn
echtgenoot ----- van beroep zonder
welk kind zal genaamd worden Klaasje ------------
Zijnde deze inschrijving gedaan op de aangifte van den genoemde
Vader -----
Van welke verklaring wij deze akte hebben opgemaakt in tegen-
woordigheid van Jean Baudium Schriek Thierens ----------------
van beroep Gemeente Ontvanger oud Zes en vijftig jaren,
wonende te Naarden numero een en twintig en van Jentje
Hendriks Siesverda van beroep Gemeente Veldwachter oud
Zeven en vijftig jaren, wonende te Naarden numero driehonderd
zeventig en is deze akte na voorlezing door ons benevens den
Comparant en de getuigen onderteekend
De Ambtenaar voornoemd
H. Krijnen
J.B. Schriek Thierens
J.H. Siesverda
________________________________________________________________
Vader Harmen was erfgooier, stamde uit Bussum en had zich na zijn huwelijk in 1849 in Naarden gevestigd. Zijn vee liep op de Naarder Meent en ook Klaasje moest al vroeg met de melkers mee. Daar en mogelijk in de St. Vituskerk ontmoette zij de 13 jaar oudere Jan de Gooijer. In haar kinderjaren ging zij naar school in de Schoolstraat. (gedeelte van de huidige Pastoorstraat) Het schoolgebouw dateerde uit 1828 en verkeerde in slechte staat, zelfs de muren waren gescheurd. Ruim 225 kinderen zaten verdeeld in twee lokalen op banken, die 'amphitheatersgewijs' opliepen. Voor de ramen waren geen gordijnen of zonneschermen. Bij zonnig weer werden de luiken gesloten. Dorst lessen moest bij de gemeentepomp op straat en die was tevens speelplaats. Klaasje vertelde later, dat de onderwijzer zijn baby meenam in de klas. Het kind stond in een mand. Het onderwijs was redelijk goed, want Klaasje kon tot op hoge leeftijd nog goed rekenen en schrijven. Lokale geschiedenisles kreeg ze uit overlevering. Haar grootouders vertelden hoe ze in Bussum te lijden hadden gehad van de Franse bezetting van de vesting Naarden. Het Franse garnizoen was van november 1813 tot mei 1814 ingesloten door Kozakken en het Nederlandse leger. Af en toe deden de Fransen een uitval en gingen op roof uit in Bussum. Grootvader Krijnen had een knecht waarvan zelfs de zilveren knopen van diens broek werden gesneden.
In Naarden viel niet veel te beleven, maar als er iets te doen was dan werd er gefeest. Zo was er de verjaardag van Willem III waarbij soms een optocht werd gehouden. Andere hoogtepunten waren de jaarlijkse veemarkt en vooral de Naarder kermis. Vader Harmen had een speciaal kermispotje voor zijn kin-deren. Het geld was afkomstig van de huur die het 'overtuintje van de Roeper' opbracht. Notaris de Roeper had het tuintje tegenover zijn woning aan de overkant van de Gansoordstraat gehuurd. Hij had nu een mooi uitzicht en voorkwam de mogelijkheid tegen een mesthoop aan te moesten kijken. Mid-den in een perkje prijkte een beeldje. Het werd eens stiekem door kwajongens 'meegenomen'. De Roeper kreeg het terug en diende geen klacht in. Zouden soms kleinzoons van Harmen daar de hand in gehad hebben ?
MILITAIRE ACTIVITEITEN IN NAARDEN.
NAARDENSE VESTINGWERKEN OP DE SCHOP.
Het laatste kwart van de negentiende eeuw bracht grote veranderingen in het Gooi. De aanleg van de Oosterspoorlijn Amersfoort - Amsterdam en de Gooische Stoomtram ontsloten het Gooi. De autochtone bevolking raakte uit hun isolement en de streek werd opengesteld voor hoofdzakelijk Amsterdamse forenzen.
In deze periode werden ook de vestingwerken van Naarden aangepast aan de 'vooruitgang', dat wil zeggen de 'moderne oorlogsvoering'. De verbetering
was het gevolg van de ontwikkeling van het geschut en granaten in de Frans-Duitse oorlog van 1870. Het Duitse leger met dit nieuwe wapentuig vormde een bedreiging. De vestingwallen werden verhoogd en men bouwde de bomvrije kazernes, Promers, Oud Molen en Oranje. Op de bastions kwamen bomvrije gebouwen, die alfabetisch van een letter werden voorzien. (Zo werden er enkelen op het Bastion Turfpoort gebouwd, die bij de Naarders bekend staan als poterne 'X' en 'IJ'.)
Aan de Zuiderzeekust werd het Fort Ronduit aangelegd en rondom Naarden ook vijf kleinere forten. Dezen kregen de namen van respectievelijk 'Werk no. 1', no. 2, no. 3, no. 4, no. 5. (tegenwoordig rest alleen nog 'Werk 4' in Bussum.) Al het grondwerk aan wallen en forten gebeurde met het 'handje'. Schop en kruiwagen waren de enige hulpmiddelen. Ook Jan Willemsz de Gooijer had zich laten aanmonsteren voor de vestingbouw. Hij was nog vrijgezel en kon nu in zijn ouderlijke boerderij aan de Bussummerstraat blijven wonen.
Gewoonlijk werkte hij elders als boerenknecht en woonde derhalve ver van huis. Jan stond nu zij aan zij met potige polderjongens en kon het zware werk nauwelijks aan. Om zijn rug te sparen droeg hij een speciaal hiervoor gemaakt leren korset. Of andere broers dit werk ook deden is onbekend. Wel kwam zijn oudste broer Cornelis in de problemen door de bouwactiviteit. Zijn boerderij, gelegen in de Kooltjesbuurt, moest wijken voor de nieuwe poternes op bastion Oud Molen.
Nadat de werkzaamheden aan de verdedigingswerken waren voltooid, besloot de legerleiding het weerstandsvermogen van de verbeterde Vesting Naarden te beproeven. In 1885 werden daarom grote manoeuvres rondom Naarden gehouden, waaraan 4000 militairen deelnamen. Het pas enkele jaren oude weekblad 'De Gooi- en Eemlander' weidde aan deze manoeuvres ruime aandacht. In de zater-daguitgaven van 22, 29 augustus en 5, 12 september werden vele kolommen volgeschreven over de voorbereiding en de uitvoering. Alles wat er gebeurde werd door de Naardense bevolking, waaronder de familie De Gooijer, op de voet gevolgd.
DE VOORBEREIDING
De militairen werden gesplitst in een aanvallende en een verdedigende par-tij. Ter onderscheiding droegen de aanvallers een witte band om hun chaco (hoofddeksel). Een groot gedeelte van hen werd gelegerd in tenten op het terrein van 'het Kamp van Laren'. 1) Naast de infanterie, bewapend met ge-weren, was ook de veldartillerie aanwezig. Het veldgeschut was, tijdens de voorbereiding eind augustus, vanuit de Vesting Naarden naar de aanvallers gebracht. Bij het vervoer van oorlogsmaterieel werd gebruik gemaakt van de Gooische Stoomtram en burgervoerlieden. Waarschijnlijk werden de plaatselijke boeren, waaronder Jan de Gooijer, met hun paarden ingeschakeld, zoals later bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. 2)
Een deel van de verdedigers nam stelling in de forten 'Werk no. 1 t/m 5' en in de 'Lunetten' aan de Karnemelksloot. Het overige deel, waaronder de ves-tingartillerie, bleef in de Vesting Naarden achter. De toren van de Grote Kerk werd voorzien van een handbediend optisch seintoestel, zoals in de Napoleontische tijd in gebruik was. In de kazerne Oud Molen werd de genie ondergebracht, bovendien was daar het hoofdkwartier van kolonel R.C. van Onselen. De krant berichtte dat deze commandant aldaar de beschikking had over een telegraafverbinding en dat er zelfs verschillende 'telephoonlijnen' waren. Perfecte inlichtingen over de ligging van het zenuwcentrum van de verdediging. Hiermee werd ook de Pruisische spionagedienst op een presenteerblaadje bediend, want van die kant dreigde het werkelijke gevaar.
Zwaar geschut van de vestingartillerie werd op de hoofdwallen geplaatst. De plaatselijke 'oorlogscorrespondent' berichtte: "Overal steken de kanonnen dreigend hun koppen vooruit, terwijl sommige stalen vuurmonden niet minder kwaadaardig achter de hooge wallen te wachten staan om zoodra de vijand zich vertoont over de borstwering heen de zware projectielen weg te slingeren".
Overal waren schildwachten, die bij slecht weer in eenvoudig van stro ge-bouwde schildwachthuisjes konden schuilen. Tevens werden van houten balken onderkomers gebouwd die met zand werden afgedekt. Er werd van s'morgens vroeg tot 's avonds laat aan gewerkt. De wallen werden op veel punten ver-licht door daar aangebrachte lantaarns. Ook aan de buitenwerken werd gear-beid. Het fort 'Werk 4' op de heide tussen Bussum en Kamphoeve, werd geheel door palissaden omringd. achter dit fort was een tentenkamp waar een afde-ling artillerie en genie verbleef. De grote loods ter plaatse werd gedeeltelijk ingericht als paardenstal. Het andere gedeelte bevatte de allernieuwste vinding op het gebied van de verdediging. Hier was een machinekamer ingericht van het electrisch 'verlichtingstoestel'. Met deze voorloper van de schijnwerper kon het voorterrein verlicht worden. Volgens de correspondent: "Die nog veel beter dan de maan van dienst kon zijn voor de verdediger, daar het licht naar alle kanten kan worden gedraaid. De vijand kan dat electrisch licht dan ook hoogst waarschijnlijk wel naar de maan wenschen. De deskundigen beweren nu echter dat zoo'n lamp wel aardig is en ook weleens in den oorlog dienst zal kunnen doen, doch dat men eerst nog een middel moet vinden om haar onkwetsbaar en gedeeltelijk onzichtbaar te ma-ken, daar zij nu den vijand niet alleen de juiste ligging van het fort ver-raadt, maar ook door een goed gericht schot kan worden vernield".
De voorbereidingen werden zaterdagavond afgesloten. Zondag 30 augustus was een rustdag en maandag was er een grote parade op de hei bij Bussum ter ge-legenheid van Prinsjesdag.
DE MANOEUVRES.
De manoeuvres begonnen op dinsdag 1 september en duurden met een onderbreking op zondag tot en met donderdag 10 september. Dinsdagmiddag om drie uur reden twee 'vijandige' militairen te paard door de linies van de verdedigers. Één ruiter was een parlementair met een witte vlag, de ander was een trompetter. Ze reden naar de Vesting en eisten de overgave, die geweigerd werd door de vestingcommandant. De eerste dag richtten de aanvallen zich op de voorwerken, de dag daarna op de vesting. Natuurlijk trokken deze manoeu-vres heel wat toeschouwers. Niet alleen Naarders vergaapten zich, ook van elders kwam men kijken. Zelfs de toren werd door nieuwsgierigen beklommen. Vaak ging men onvoldaan naar huis, omdat men niet altijd wist waar 'slag geleverd werd'.
Vanaf woensdagmorgen 2 september schoot men vanaf de vestingwallen. Ondanks het schieten met los kruit waren de schoten zo hard, dat geadviseerd werd de ramen open te zetten. Ook de burgers kregen geen rust, dag en nacht klonk het gedonder. Natuurlijk hadden de soldaten het moeilijker. Het eten was vaak slecht, hoewel de rantsoenen verhoogd waren. Er was zelfs meer vlees dan anders beschikbaar. De soldij bleef minimaal en bedroeg een dub-beltje per dag. Voor deze fooi waren ze dag en nacht in de weer. 3) Op rustige nachten stond een kwart van de verdedigers op wacht en een kwart lag gekleed op het stro. De andere helft mocht in onderkleding op het losse stro slapen.
De aanvallers waren nog slechter af, zij bivakeerden in de open lucht en deden schijnaanvallen. Bovendien moesten zij schansen opwerpen en loopgraven aanleggen. Dit zware werk gebeurde tijdens slagregens. Op ongeveer 1000 pas van 'Werk 4' groeven zij een 400 meter lange loopgraaf met een borstwering er voor. Daarin werden 'granaatvrije' dekkingen gemaakt en batterijen gebouwd. Zieken waren er gelukkig niet veel. De hospitaalsoldaten waren echter wel druk in de weer met het oefenen in het leggen van verband en het wegdragen van de namaak 'gewonden'.
Ondertussen werd op 'Werk 4' elke avond druk geëxperimenteerd met het 'verlichtingstoestel'. Vele nieuwsgierige burgers kwamen naar dit wonder van de techniek kijken. Voor praktisch iedereen was dit het eerste contact met electrisch licht. Bussum had gasverlichting tot in de het begin van de twintigste eeuw en Naarden kreeg als eerste Gooise gemeente electrische verlichting in 1899.
Na afloop van de manoeuvres was er een grote parade met muziek. Deze vond plaats op het gedeelte van de Bussummerheide waar anders wedrennen werden gehouden. Danks zij het mooie weer trok dit 'grootsche' schouwspel veel bekijks. De 'oorlogscorrespondent' eindigde zijn verslag met: "Ieder keerde voldaan huiswaarts, de talrijke toeschouwers te voet en in rijtuigen even goed als de militairen, die blijde waren naar huis terug te mogen keeren, te eer daar het weder in de laatste dagen hoogst ongunstig werd". Ongetwijfeld was Jan de Gooijer en zijn broers onder de nieuwsgierigen, want dergelijke belevenissen kwamen zelden voor in het stille Naarden.
1) Thans (1999) asielzoekerscentum Crailo.
2) In 1914 bracht Herman, de oudste zoon van Jan de Gooijer, met zijn vaders paard kanonnen vanuit Naarden naar Utrecht.
3) Tot omstreeks 1900 vervulden rijkeluiszoontjes niet hun militaire dienstplicht, een vroeg soort weiger-yups. Zij lieten zich vervangen door een remplaçant.
STICHTING GEZIN.
Jan trouwde 17 mei 1887 Klaasje Krijnen. Bruidegom Jan is 34 jaar en zijn bruid 22 jaar. Zij vestigden zich in het pand hoek Regenboogstraat/Wuyvert op nummer 460. Op dit adres werden de vier oudste kinderen geboren:
Maria Emma op 21 juni 1888, Emma Maria op 11 juli 1890, Hermanus Wilhelmus op 20 januari 1892 en de tweede Emma Maria op 27 juni 1894. De op 11 juli geboren Emma Maria leefde slechts een maand, zij overleed op 14 augustus 1890. Voor haar moeder Klaasje is deze slag zo zwaar, dat zij later nooit haar eigen verjaardag vierde op de elfde augustus, maar steeds op de tien-de. Mogelijk werd de baby ziek op de verjaardag van Klaasje. [ Dit verhaal doet wel de ronde, maar op het klopt ?]
Op woensdag 26 april 1893 schrokken de bewoners van de Wuyvert. Er brak brand uit in het onbewoonde gedeelte van de gebroeders L. aldaar. De brand sloeg over naar de aangrenzende wagenmakerij, die uitbrandde. Ook de krui-denierswinkel van de gebroeders L. had brandschade. Gelukkig bleef het pand van Jan en Klaasje gespaard, maar Jan ging toch op zoek naar een grotere boerderij. Nogmaals werd de buurt opgeschrikt. Op donderdag 29 juni 1895 hoorden de mensen in de omgeving Pijlsteeg en Oosteindestraat een oorverdovend geraas. Men dacht dat er een huis instortte. Aannemer Piet van Wettum bleek bezig te zijn met het omtrekken van een half afgebroken pand in de Korte Pijlsteeg. Na de sloop bouwde hij aldaar vier woningen. Hij had een contract met het Ministerie van Oorlog afgesloten, waarbij hij deze zoge-naamde onderofficierswoningen voor een lange tijd aan militairen kon ver-huren.
DE BOERDERIJ GANSOORDSTR/PIJLSTRAAT
De buurt ging erop vooruit en Jan de Gooijer greep zijn kans.
Jan verhuisde 1 mei 1896 naar de boerderij op de hoek Gansoordstraat/Pijlsteeg. [Huidige Pijlstraat] De eerste jaren huurde hij de boerderij van de rentenier G. Brouwer, daarna kocht hij deze. Op het gerucht dat Brouwer of de voorgaande eigenaar Koeman op zijn doodsbed "zoeken, zoeken" had gestameld, doorzocht Jan het huis in de hoop een schat te vinden. Hij klopte tevergeefs op alle wanden. (4)
De 17e eeuwse boerderij bestond uit een voorhuis aan de Gansoordstraat [thans nr. 31] en een achterhuis met schuur in de Pijlstraat. De totale lengte was 36 meter en de breedte 9,5 meter. Het voorhuis was afgesplitst van de rest door eenvoudig enkele deuren dicht te timmeren. In dat gedeelte bleef Gerrit Brouwer voorlopig wonen. [Jaren later hebben alle zonen van Klaasje de eerste jaren van hun huwelijk in het voorhuis gewoond. Van al die gezinnen zijn de oudste kleinkinderen daar geboren.]
Achter de voordeur in de Pijlstraat lag een lange gang die doorliep naar de toegangsdeur van het erf. Bij binnenkomst lag direct links de deur naar de ruime voorkamer. Deze kamer had een raam aan de straatzijde en was voorzien van twee grote bedsteden en een kinder bedstede. Verder in de gang was links de trap naar de zolder en daarachter de deur naar de kleine achterkamer. In deze kamer, met uitzicht op het erf, werd hoofdzakelijk gehuisd. Hier was de bedstede waar Klaasje als weduwe sliep. Rechts achter de gang-muur lag het spoellokaal met daarin een houten pomp. Daarachter lag de le-men dorsvloer. Van de straatzijde was deze bereikbaar via een dubbele hooischuurdeur. Door deze hoge en brede deur en één van gelijke afmetingen aan het einde van de schuur, werden in de hooitijd 50 voer hooi naar binnen ge-reden. Het hooischuurgedeelte lag langs de straatzijde. De lange koeienstal lag daarnaast aan de zijde van het erf. In deze stal was plaats voor 17 koeien. De paardenstal lag achter de deel.
In de Gansoordstraat lag de inrit van het wagenpad naar het erf. Tussen het pad en de achterkamer lag het bleekveld met enkele vruchtbomen. Tegen het bleekveld en tegenover de achterdeur van het achterhuis stond een houten schuurtje. Dit bestond uit twee gescheiden delen, namelijk een keukentje en een ouderwetse plee. Aan het eind van het wagenpad lag op het erf een open wagenloods met daarachter een grote schuur, vooral bestemd voor jong vee.
Het huurcontract van de boerderij, zonder het voorhuis, luidde:
__________________________________________________________________________
"De ondergetekende Gerrit Brouwer de oude, zonder beroep, wonende te Naarden, verklaart bij deze te hebben verhuurd aan de medeondergeteekende Jan Willemszoon de Gooijer, veehouder, wonende te Naarden, die verklaart gehuurd te hebben, en in huur aan te nemen: 'eene boerderij met schuur, loods, erf en tuin, staande en liggende te Naarden in de Lange Pijlsteeg en uitkomende in de Gansoordstraat, nummer 388, zooals al hetzelve thans in huur is bij Jan Keijer en zulks voor de tijd van zes jaren, ingaande 1 Mei 1896 en eindigende 30 april 1902, mits de verhuurder en zijne echtgenoote, beiden nog in leven zijn; mochten zij beiden , voor het eindigen dezer huur; overleden zijn, zoo zal alsdan de huur eindigen 30 April, volgende op het overlijden der langstlevende, en wijders onder voorwaarden.
1: Dat de huurder wekelijks als huurprijs zal betalen de som van f 3,50, voor het eerst te voldoen op Zaterdag 9 Mei 1896, daarna een week daarna, en zoo vervolgens van week tot week.
2: Dat de huurder het gehuurde als een goed huisvader moet bewonen en ge-bruiken en zal voldoen alle lasten en bezwaren, waartoe huurders gehouden zijn of verplicht mochten worden, met uitzondering van de Personeele belasting, die door den verhuurder en den huurder elk voor de helft zal moeten voldaan worden.
3: De verhuurder behoudt zich het recht voor om in gebruik te houden, zooals nu het beding is bij den huurder Jan Keijer, van de navolgende goederen, als bleekveld, het secreet, de regenbak, de kippenloop, en de boomvruchten tezamen, verder blijft de halve loods en het gangetje tusschen den stal en de schutting aan den verhuurder, voorts heeft hij het recht om water te halen uit de pomp, staande op het bij deze verhuurde.
4: Dat de huur zal eindigen op den hierboven bepaalden tijd, zonder dat de huurder het recht heeft, zich te beroepen op art. 1609 van het Burgelijk Wetboek, daar verdere huur uit schriftelijke overeenkomst moet blijken.
De ondergeteekenden verbinden zich als volgens de wet en kiezen domicilie ten gemeentehuize te Naarden.
Geteekend te Naarden, den 24 December 1895.
G. Brouwer J. de Gooijer
__________________________________________________________________________
De zeventiende eeuwse boerderij was ongeveer een eeuw in het bezit geweest van de familie Koeman, totdat op 11 november 1874 Gerrit Koeman deze ver-kocht aan G. Brouwer voor f 3000.-. Direct na het overlijden van G. Brouwer in 1898 kocht Jan de gehele boerderij voor f 3500.-. [Klaasje overleed in 1956 en heeft daar dus 60 jaar gewoond] Jan's broer 'Hein de Bullenboer' kocht zijn boerderij gelijktijdig en eveneens van de erven Brouwer van de erven en betaalde f 1800.-.
HET LEVEN OP HET BOERENBEDRIJF
Het leven van Jan was zoals van de andere meentboeren. 's Zomers vroeg om half vijf op pad met de hondenkar om te gaan melken. Daartoe stonden twee grote trekhonden ter beschikking. De veertienjarige zoon Wim deed in 1914 bij het onafhankelijksfeest mee in de optocht met de hondenkar en werd daarmee vereeuwigd op een foto. Ook gingen Jan en zijn zoons wel met de Paard en wagen naar de Naarder Meent. Daar liepen enkele honderden koeien door elkaar. De koeien voelden echter aan wanneer het melkenstijd was, uit zichzelf kwamen ze naar de melkplek van iedere boer. Als een koe echter 'tuchtig' [paringsdrift] was, ging ze zwerven. De Naarder Meent bestond nog uit een binnendijks en een buitendijks gebied. Aan de Zuiderzee lag de buitendijkse gedeelte bestaande uit de weiden ten westen (Voorste Haverland) en ten oosten (Achterste Haverland) van Fort Ronduit. Het vee kon via de kade van het fort en de ondiepe 'koeienzee' van het ene deel naar het andere lopen.
Als door een najaarsstorm 'de zee overkwam' in de het buitendijks gebied, dan werd het vee op de meent achter de Westdijk in veilgheid gebracht.
Jan nam, zoals de meeste boeren, zijn kinderen mee. De jongsten hadden de taak om afgedwaalde koeien op te halen. Zij kenden hun eigen dieren aan de tekening op de huid. In het najaar met duister en mistig weer was het een hele opgave om een koe te vinden, vooral omdat er overal sloten lagen met hier en daar een gladde plank.
Om zes uur of half zeven, terug van het land, werden eerst de melkbussen afgeladen. Het paard of de honden werden uitgespannen en gevoederd. Thuis was dan alles in rep en roer. De kinderen draafden door het huis. De oudsten gingen nuchter naar de vroegmis. Om half zeven stond de pap voor vader Jan klaar.
Toen Jan wat ouder was en hulp had van zijn zonen, ging hij daarna een tukje doen. Hij deed dat zittend in een stoel aan tafel met zijn hoofd op zijn armen. Daarna werden de melkbussen, kannen en emmers geboend. De melk werd direct rondgebracht naar de klanten in de gehele vesting. Ook het Militair Hospitaal en de kazernes werden voorzien. Om daar melk te mogen leveren moest een contract worden afgesloten. De menagemeester kwam per- soonlijk op de boerderij afrekenen. In de hoop dat het contract verlengd werd kreeg hij na de betaling een fooi. Deze steekpenning was ongeveer een rijksdaalder. Klaasje ging in de beginjaren heel vroeg naar de kazerne om melk naar de keuken te brengen. Voordat ze daar was kwamen de soldaten
al naar haar toe om hun veldflessen te laten vullen. Zodoende had Klaasje dan, om zes uur in de morgen, haar eerste handgeld al binnen.
Jan was ook 's winters in de weer met allerlei werkzaamheden in en rond de boerderij. Daar behoorde ook het mestrijden bij in de winter. Mogelijk verongelukte Jan bijna door een op hol geslagen paard, want in de Gooi en Eemlander stond het volgende te lezen:
"Donderdagochtend 31 December 1897 kwart over elf sloeg het paard van De G. op hol, deze eigenaar een eind meesleepende. Aan het einde van de Oosteindestraat werd door het dier een hek omgeworpen en gebroken. Gelukkig vielen er geen persoonlijke ongelukken voor. 'Gelukkig' mogen we wel zeggen, want eenige minuten later was de straat vol van de Openbare School verlatene kinderen".
[Als er een politierapport is uit die tijd, dan zal daarin wel de volledige naam zijn vermeld.]
In de boerderij aan de Lange Pijlsteeg werden de jongste zes kinderen geboren en wel:
Alida Cornelia op 3 oktober 1896, Cornelia Johanna op 16 september, Wilhelmus Hermanus op 18 augustus 1900, Lambertus Johannes op 26 januari 1903, Johanna Hendrika op 18 augustus 1905 en Johannes Jacobus op 14 augustus 1909.
DE ERFGOOIERS IN DE KNEL.
Rond de eeuwisseling zijn er troebelen in het Gooi. Onenigheid en tweespalt tussen de Gooise gemeentebesturen en de erfgooiers. Het gaat over de bestuursvorm van Stad & Lande van Gooiland, het instituut van de erfgooiers. De hoofdoorzaak is de bedreiging die uitgaat van het 'oude' bestuur van Stad & Lande, dat bestaat uit de burgemeesters van de stad Naarden en van de Gooise dorpen. Vóór de aanleg van de Oosterspoorlijn door het Gooi in juni 1874, kwamen de burgemeesters nog enigszins op voor de belangen van de autochtone bevolking. Dat gold vooral de dorpsburgemeesters, die vaak uit hun dorp stamden. Uiteraard omdat hun belangen parallel liepen met die van de autochtone dorpsbevolking. Met de komst van de spoorweg in het Gooi nam de rijke importbevolking toe. De burgemeesters en notabelen zagen hierin een betere bron om hun zakken te vullen. Ex-burgemeester van Huizen en Bussum, de 'heer' Langerhuyzen, was hiervan een goed voorbeeld. Hij stichtte in 1902 een 'Maatschappij tot exploitatie van bouwterreinen'. Als bestuurslid van Stad & Lande wist hij een uitgestrekt terrein rond Crailo in handen te krijgen. Hierop volgde machteloos verzet van een aantal erfgooiers. Maar 'Geld dat stom is, maakt recht wat krom is'. De actievoerende erfgooiers werden voor het 'gerecht' gedaagd en veroordeeld. Het verzet van de autochtone erfgooiers nam grotere vormen aan toen er een wijziging kwam in het stelsel van de schaarmeesters. Er ontstonden twee partijen, de zogenaamde 'Oude partij' en de 'Nieuwe partij'. De nieuwe partij koos als voorzitter Floris Vos, die eigenaar was van de modelboerderij Oud Bussem. Op de naastgelegen 17e eeuwse boerderij rustte een dubbel schaarrecht. Hijzelf was afkomstig uit Utrecht, maar zijn voorouders waren erfgooiers. In het bestuur van de nieuwe partij en tevens in de gemeenteraad zat ook Cornelis de Gooijer, de oudste broer van Jan.
De twist in het Gooi laaide hoog op. Terwijl de leden van de oude partij toegang tot de meenten kregen, werd dit aan die van de nieuwe partij geweigerd. Tot die nieuwe partij behoorde ook Jan Willemsz de Gooijer. Vaag herinnerde zich zijn zoon Herman als ca. elfjarige jongen te zijn meegegaan in een roeiboot. De inzittenden hadden zich bewapend met stokken, waarin spijkers waren geslagen. Deze gebeurtenissen speelden ca. 1903. In dezelfde tijd vond in Zuid Afrika de Boerenoorlog plaats. Onder de Nederlandse bevolking was veel sympathie voor deze zogenaamde Afrikaner boeren. Zoon Herman zong later nog veel het populaire liedje uit die tijd: "En de boeren hebben overwonnen, hiep, hiep, hoera ....." Mogelijk droeg deze stemming bij in het verzet van de Gooise boeren, waarbij het tot een harde konfrontatie kwam met de overheid:
In 'Malbak' (Blaricum) werd het meenthek bewaakt door rijksveldwachters. Dit hek was gelegen in de zogenaamde koedijk die de meent van de Eng (bouwland) afsloot. [prikkeldraad bestond nog niet] Het dijkje bestond uit opgestapelde graszoden met daarlangs aan de meentzijde een greppel. Het was nodig omdat in de hooggelegen meent aldaar, een droge scheisloot geen vee tegenhield. Toen in 1903 een aantal boerenzonen een stukje verderop bezig was een opening in de koedijk te graven, riep de Blaricumse burgemeester de hulp in van militairen. De erfgooiers waren ongewapend en boden geen verzet. Het 'gezag' trad echter op, zoals het toen steeds sociale misstanden 'oploste' of 'bestreed'. Er volgde geen waarschuwingsschot in de lucht. [Ook al beweerde de Gooi en Eemlander dit, zonder getuigen te horen.] Er werd ook niet op de benen, maar gericht geschoten. Daarbij werd een 22-jarige Laarder doodgeschoten. De jongen stond ter goede naam en faam bekend. Dit was een duidelijke politieke MOORD ! De zaak werd nooit uitgezocht. Een strafzaak tegen de commandant en de schietende militair volgde niet. Mogelijk werd hij onderscheiden. De schuld lag uiteraard bij de overheid.
Tenslotte matigde de toenmalige regering zich aan om de erfgooierskwestie te regelen. Bij vroegere belangrijke beslissingen werden de erfgooiers geraadpleegd en werd hoofdelijk gestemd. In 1912 kwam zonder inspraak de erfgooierswet tot stand. Hiermee kreeg het eeuwenoude instituut 'Stad en Lande van Gooiland' een moderne 'wettige' basis.
Van ouds her hadden de erfgooiers gemengde bedrijven. Het was zelfs zo, dat het vee oorspronkelijk werd gehouden ten behoeve van de mest voor het bouwland. De koeien stonden in zogenaamde potstallen op een dikke laag stro en heideplaggen. Rondom de dorpen lagen de Engen waarop vooral rogge en boekweit werd verbouwd. Voor de verbouw van boekweit was schapenmest het beste. Daartoe hielden vooral de Laarders en Hilversummers schapen op de heide. Beide dorpen hadden hiertoe de meeste rechten, omdat zij het verste van de meentgronden gelegen waren. Wie veel schapen hield mocht geen koeien weiden. Jan bezat zelf geen bouwland. Hij pachtte drie akkers, eerst van schoonvader Harmen en na diens overlijden van zwager Tijmen. Dit bouwland lag in de Bussummer Eng achter de herberg De Gooische Boer. Hij verbouwde daar rogge, bieten en aardappelen. Er werd wisselbouw toegepast, pas om de drie jaar weer hetzelfde gewas op dezelfde akker. De zandgrond was onvruchtbaar en vroeg veel mest met heideplaggen, dat op het geploeghde land werd gestrooid. De plaggen voorkwamen het wegstuiven van de grond. De voerbieten waren voor het eigen vee. De rogge ging naar de bakker voor roggebrood. Ook ging roggemeel in de dagelijkse ochtendpap en in de bloedworst die Klaasje maakte. De aardappelen van de Eng smaakten niet lekker, toch kwamen er vaste klanten voor. Het gezin at zelf prima aardappelen die zij verbouwden op de tuingrond van 'De Plak'.
In de jaren die volgden kwam steeds meer bouwland in handen van 'projectontwikkelaars'. Het eeuwenoude patroon van het gemengde Gooise boerenbedrijf kwam in de verdrukking. Vooral in Naarden voltrok zich dit proces al vroeg. Het bouwland rond de vesting was reeds een eeuw lang in handen van kapitaalkrachtige personen, zoals Van Rossum. Deze gronden werden afgezand en omgevormd tot landgoederen, tuinderijen en boomkwekerijen. De Naarder boeren konden zo goed als geen gewas meer verbouwen. Hun koeienmest lever-den ze noodgedwongen aan de kwekerijen, omdat zij zelf geen of weinig bouwland meer bezaten. Ook op aan de meent kon niet geleverd worden, want daar paste men al snel kunstmest toe. Het hoofdberoep van de boeren werd sindsdien veehouder en melkboer.
ONDERLINGE FAMILIEBANDEN MET BROERS EN ZUSTERS.
De ouders van Jan waren met negen kinderen naar Naarden gekomen, alwaar nog dochter Aaltje geboren werd. Het gezin bestond uit zeven jongens en drie meisjes. Drie van Jan's broers stierven relatief jong.
Broer Gerrit overleed reeds op 20-jarige leeftijd in 1875.
Broer Pieter werd 54 en stierf in 1905. Hij woonde tot aan zijn dood op de ouderlijke boerderij in de Bussummerstraat. (thans ter plaatse van nr. 44 en 44a) Na het overlijden van zijn vader woonde hij daar met zijn moeder Mietje tot zij in 1899 overleed. Zijn nichtje Marie deed vanaf toen zijn huishouding. Zij was een dochter uit het eerste huwelijk van broer Cornelis. De verstokte vrijgezel Pieter trouwde op 48 jarige leeftijd met de 38 jarige Cornelia (Kee) de Zwart uit Blaricum. In 1902 kocht Pieter de boerderij met de achterliggende moestuin van Helena Dankelschijn. Mogelijk was het geld afkomstig van Cornelia, want zij bezat bouwland in de Blaricummer Eng. In 1903 vergroot hij de boerderij met een aanbouw op zijn erf. In dat jaar wordt dochtertje Maria Cornelia geboren, zij overleed na 4 maanden. Na het overlijden van Pieter was Kee de enige erfgenaam. Zijn weduwe hertrouwde met veehouder Schouten en bleef op de boerderij wonen.
Broer Lambertus stierf op 45-jarige leeftijd in 1896. Hij was in 1881 getrouwd met Maria (Mietje) Schragen. Zijn weduwe bleef achter met 5 jonge kinderen. Tot 1903 moest zij haar gezin onderhouden als bruggewachtster. Zij bediende de Gele Brug over de Muidertrekvaart en woonde daar tegenover in een zogenaamde Rijkswoning. Vóór en tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte zij ook de lokalen schoon van de Openbare Lagere school. Zij ontving daarvoor 50 cent per lokaal en per week. Alleen al het schoolgeld voor twee van haar kinderen kostte al 75 cent per week. Willem, de zoon van Lambert en Mietje, werkte vóór 1907 als melkknecht bij zijn oom Jan voor f 12.- in de week. (of dit zijn enige bron van inkomsten was is niet bekend) Willem had een sympatiek karakter. Het gezin van oom Jan en tante Klaasje was zeer op hem gesteld. Vooral bij zijn nichten was hij geliefd. De dochters van Klaasje spraken gekscherend over ONZE Willem. Hierop zeiden zijn zusters Marie en Meintje om strijd: "Nee het is ONZE Willem".
De twee andere zonen waren Gerrit en Rijk.
Broer Hendrik trouwde mei 1877 met Cornelia (Kee) Krijnen. Zij was de oudste zuster van Klaasje, de echtgenote van Jan. Het echtpaar woonde in een boerderij op de hoek van de Wijde Markstraat/Duivensteeg. Hij was veehouder, meentbeambte en tevens stierhouder en stond bekend als 'Hein de Bullenboer'. Zomers deed Hein met zijn stier de ronde op de Naarder Meent. Hij kondigde zijn komst aan door op een grote ossenhoorn te blazen. In de winter werden de koeien ter dekking naar zijn boerderij gebracht. Vaak moest Hein daarbij de stier een 'handje' helpen. Dit laatste tot grote hilariteit van de buurtjongens die, glurend tussen de kieren van de schutting, het gebeuren nauwlettend volgden.
Het gezin bestond uit twee zoons en twee dochters. Kee overleed in 1924 en Hein in 1931. De vrijgezelle dochters Marie en Bertha, bleven op de boer-derij wonen en behielden daarom het schaarrecht. De melk van hun koeien ventten zij zelf uit. De oudste zoon Willem betrok een boerderij op de Keverdijk. De jongste zoon Herman werd hoofdopzichter bij de erfgooiersvereniging 'Stad en Lande van Gooiland'.
Broer Jacob bezat een boerderij in de St. Vitusstraat. Hij was tevens opzichter bij één van de zandafgravingen in het Gooi. De gravers werden 'Muizen' genoemd en daarom kreeg Jacob de bijnaam 'Muizenkoning'. Zijn kroost noemde men dan ook de 'muizenkinderen'. Zijn zoon Jan werd in de jaren dertig 'bullenboer' en stond bekend als 'Jan de Muis'. De bijnamen waren nodig om de verschillende neven en ooms uit elkaar te houden.
Jacob was getrouwd met Marie Bitterling. Vanwege haar karakter werd zij in de familie 'bitter ding' genoemd. Het echtpaar kreeg negen kinderen, warvan er twee als baby overleden. Zij hadden twee vrijgezelle dochters Thera en Marie. Net als hun nichten van oom Hein, hebben zij een tijdlang melkgevent. De oudste zoon Willem, genoemd naar zijn grootvader, had een verlamd been. Zoals toen gebruikelijk was koos hij een zittend beroep en werd schoenmaker. Zoon Gerrit trad in een klooster en werd broeder Amadeus.
De oudste broer Cornelis was in 1839 geboren in Blaricum. Van al zijn broers was hij de enige die in de militaire dienst moest en wel bij het eerste regiment dragonders. (een afdeling van de cavalerie) Hij trouwde in 1870 met Cornelia de Jong en begon een boerderij in de Kooltjesbuurt nr. 495. Hier werden zoon Willem en dochter Maria en Magaretha geboren. Maria overleed aldaar op 1-jarige leeftijd. De Kooltjesbuurt was gelegen op het bastion Oud Molen. Omstreeks 1873 werden ook de vestingwerken op dit bastion verbeterd. Bijna alle daar gelegen panden werden afgebroken om ruimte te maken voor bomvrije portenes. Cornelis verhuisde naar de Gijgelstraat 126, waar dochter Maria in januari 1875 werd geboren en haar moeder Cornelia 7 maanden later overleed.
Cornelis hertrouwde in 1876 met Wilhelmina Dorresteijn. Samen kregen zij drie dochters en vier zoons. Op 31 oktober 1896 kocht hij voor f 2450.- de boerderij St. Vitusstaat. Cornelis was actief in de plaatselijke en Gooise politiek. Hij was raadslid van de gemeente Naarden van 1903 tot 1909. Bovendien zat hij in het bestuur van de door Floris Vos gestichte 'nieuwe partij' van de erfgooiers. Deze partij stelde de wantoestanden binnen het instituut van 'Stad en Lande' aan de kaak. Mede door acties van Cornelis en de zijnen, werd uiteindelijk de erfgooierswet van 1912 aangenomen. Dankzij deze wet verbeterde niet alleen de onderlinge verhoudingen, maar vooral de meentgronden. De bedrijfsvoering van de kleine boeren werd verbeterd, totdat het gebrek aan grond ten behoeve van de woningbouw het einde van de scharende erfgooiers inluidde.
Zoon Elbertus ging omstreeks 1905 met kapelaan Vergouwen naar Slagharen. Vergouwen werd aldaar pastoor en Elbertus woonde 11 in op de pastorie en trouwde in 1916 met Maria Aleida Busscher. De zoons Jan en Piet werkten eerst op de boerderij van hun vader. Jan bleef op de ouderlijke boerderij en Piet betrok een boerderij in de Cattenhagestraat. Zoon Gerrit trouwde Dina Hartong en bewoonde enkele huizen in de Bussummerstraat. Een begrip in de familie was halfbroer 'Willem de Matroos', die beroeps was bij de marine. Zijn zus Marie was getrouwd met Thadeus Snoek die een boerderij bezat tussen de Turfpoortstraat en de St. Annastraat.
ONDERLINGE BAND MET SCHOONFAMILIE
Jan had nog een schoonvader en drie zwagers 'Krijnen', die vestingboer waren. Deze zwagers waren zonen van de schoonouders Harmen Krijnen en Emmetje Dekker.
Zwager Lambert, trouwde mei 1881 met Aaltje, de jongste zuster van Jan. Zij betrokken de boerderij St. Vitusstr. 127. Later verhuisden ze en huurden een boerderij in de Gansoordstraat. Het erf grensde aan de Raadhuisstraat en was gelegen naast de Portugese Synagoge.
Lambert kreeg tijdens de hooibouw een ernstig ongeluk. Nadat de hooiwagen was geladen werd op het voer hooi een weesboom gelegd. Doormiddel van een touw werd de paal op het hooi vastgesnoerd. Bij het gorren brak de paal met veel geweld en Lambert kreeg deze op zijn hoofd. Hierdoor raakte hij zoda-nig verlamd, dat hij zijn werk in de stal op zijn knieën moest doen. In 1899 overleed hij op 43 jarige leeftijd aan een hersentumor.
Lambert zou, naar men zei, angst gehad hebben om levend te worden begraven. Hij wenstte daarom in de bovenste kist in het graf gelegd te worden. Er ging in Naarden namelijk een verhaal over een man, die tijdens een epidemie was gestorven en met spoed was begraven. In het graf kwam de schijndode man weer tot leven, lag gelukkig in de bovenste kist en kon zich uit het graf wurmen. Rond middernacht kwam hij thuis, kwam voor een gesloten deur en wachtte op de stoep de morgen af.
De weduwe Aaltje zette het bedrijf voort met haar jonge zonen. In 1903 kocht zij de boerderij voor f 3200.-. Het ongeluk bleef het gezin volgen. In 1904 brak brand uit in een winkel aan de Raadhuisstraat en die sloeg over op de boerderij. Na de brand liet Aaltje een nieuwe boerderij bouwen, waarvan het woonhuis (nr. 15) nog steeds bestaat. Lang heeft Aaltje er niet gewoond. Zij kwam in 1917 te overlijden door een val van de keldertrap.
Zwager Jacob trouwde in mei 1877 met Johanna Hanou. Zij vestigden zich eerst in de Regenboogstraat 403a. Later verhuisden zij naar de boerderij die gelegen was aan de Beijert en die grensde aan het Promersplein. Het gezin bestond toen uit drie jongens en vijf meisjes. In 1903 vierde het echtpaar hun zilveren bruiloft. Bij die gelegenheid werd een foto gemaakt waarop het hele gezin en de overige familieleden vereeuwigd werden. Johanna stierf in 1922 en Jacob volgde in 1923. Hun zoon Jacob nam de boerderij over totdat in 1929 in een belendend perceel brand uitbrak. Het vee kon gered worden, maar de brandschade was zodanig dat de boerderij werd gesloopt en niet meer herbouwd. Zoon Bertus stichtte de modelboerderij Sanitas aan de Lambertus Hortensiuslaan, in navolging van de beroemde Modelboerderij 'Oud Bussum'.
Zwager Tijmen trouwde mei 1896 met Johanna de Bruin en trok in zijn be-jaarde ouders. Hij zette de boerderij aan de Gansoordstraat voort. Zijn moeder Emmetje overleed in 1899 en vader Harmen in 1902. Tijmen erfde het grootste deel van de boerderij. Tot 1915 bleef Tijmen scharend erfgooier. Waarschijnlijk ontbrak bij hem het 'boerenhart', hij verkocht een flink stuk van het perceel aan de Gansoordstraat en liet op een ander deel enkele huizen bouwen. Hij werd van koeienmelker huisjesmelker. Zelf woonde hij daarna als niet-scharende erfgooier op het adres Raadhuisstraat 10. Het enige kind van het echtpaar was dochter Berdina, die na haar huwelijk naar Hilversum verhuisde. Tijmen en Johanna Op oudere leeftijd trokken Tijmen en Johanna bij hun dochter in.
Zwager Jan was doofstom vanaf zijn vroegste jeugd, hij zou als baby ge-vallen zijn. Naar verluidt zou hij door iemand omhoog gegooid zijn en niet goed opgevangen. Als negenjarige vertrok Jan naar het kort tevoren gestichte instituut voor doofstommen in St. Michielsgestel. Hij leerde daar geba-rentaal en het kleermakersvak. Vooral zijn zussen Kee en Klaasje konden via gebaren uitstekend met hem converseren. Iedere grote vacantie kwam Jan naar huis. Het dichtsbijzijnde station was Utrecht, want de 'Oosterspoorlijn' door het Gooi was nog niet aangelegd. Vader Harmen haalde hem in een koetsje af, in het gezin was het dan feest. Als 17 jarige kleermaker keerde Jan voorgoed naar Naarden terug. Hij trouwde in 1887 met Cornelia Bijlhouwer. Van vader Harmen erfde Jan het woongedeelte van de boerderij, waar hij ging wonen en zijn kleermakersvak uitoefende. Het echtpaar kreeg vijf dochters en twee zoons. Echtgenote Cornelia overleed in 1907 en Jan bleef met zijn kinderen achter, de jongste was pas twee. Hijzelf overleed in 1923 en daarna verlieten ook zijn jongste kinderen Naarden voorgoed.
Tot het overlijden van broer Pieter de Gooijer in 1905, waren er binnen de vesting van het totaal van ca. 18 boeren er zelfs 8, die tot de families 'de Gooijer' en/of 'Krijnen' behoorden. De onderlinge familieband was groot.
ONDERLINGE FAMILIEBANDEN TUSSEN
NEVEN.
De boerenbedrijven van Jan, zijn broers en zwagers waren te klein om al hun zoons werk te bieden. Bovendien was er weinig toekomst voor het boerenbedrijf in het Gooi. Andere banen en beroepen waren begin 1900 ook nauwelijks aanwezig. Toch wilden de meeste zonen traditioneel in de voetsporen van hun voorvaders treden. Zij waren opgegroeid op de boerderij en hadden een 'boerenhart'. Hun vaders hadden in hun jeugd als boerenknechten gewerkt in plaatsen aan de rand van het Gooi. Mogelijk was daar rond de eeuwwisseling door de landbouwcrisis weinig emplooi. Waarschijnlijk bij toeval werd een werkterrein ontdekt, dat bij veel 'de Gooijer' en 'Krijnen' neven zou aanslaan. Jaarlijks spoorde een grote groep katholieke Gooiers met de Gooische Bedevaart naar Kevelaar in Duitsland. Daar had men gemerkt dat in die omgeving veel vraag was naar arbeidskrachten in de veehouderij. Rondom de grote industriesteden in het Roergebied lagen grote melkerijen waar een tekort was aan melkknechten. Deze knechten werden ter plaatse 'Schweizer' genoemd, omdat het werk vroeger gedaan werrd door Zwitsers. Hoe de contacten tot stand kwamen is onbekend. In ieder geval bleek Willem, de zoon van Hein de Bullenboer, als eerste uit de familie als Schweizer in dienst te zijn getreden. Maart 1905 vertrok hij naar 'Kreis Moers'. (net over de grens bij Venlo gelegen)
In 1906 volgde zijn neef Jan Jacobsz de Gooijer. Langzamerhand volgden nog meer neven uit de familie de Gooijer, zoals Willem Lambertsz in 1907, Gerrit Lambertsz in 1908 en Jo Jacobsz de Gooijer in 1910.
Bij thuiskomst vertelden ze enthousiaste verhalen. De verdiensten waren goed. Er kon in Duitsland zelfs gespaard worden voor een fiets, zodat ze eventueel de treinreis konden uitsparen. Het avontuur trok ook de jongere neven, ook zij werden Schweizer. Zo vertrokken 'Herman van de Bullenboer' en zijn neef Rijk Lambertsz de Gooijer. In 1911 vertrok ook Herman, de oudste zoon van Jan en Klaasje, naar Duitsland. Hij kwam te werken op een melkerij in Schaephuysen. Uit de aangetrouwde familie volgden de neven Bertus Lambertsz en Gerrit Lambertsz Krijnen.
Soms namen ze een dag of acht verlof om met de trein naar huis te gaan. De 100-jarige herdenking van de aftocht van de Fransen op 12 mei 1914 kwamen ze meevieren.
Minstens tien neven uit de familie 'de Gooijer / Krijnen' verbleven kortere of langere tijd in de streek rond Moers. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden de laatste daar verblijvende neven opgeroepen voor het Nederlandse leger. Willem Lambertsz de Gooijer legde die episode en zijn ervaringen als Schweizer vast in een dagboek. Uit mondelinge overlevering is niet veel bekend gebleven. De bittere ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog maakte het begrip 'werken in Duitsland' tot een taboe. Het werk van een Schweizer hield in, dat ieder een grote stal met koeien moest verzorgen. Hun taak was zowel het voeren van de dieren als het uitmesten van de stal. Het belangrijkste was het driemaal per dag melken van de koeien. (terwijl dit normaal maar tweemaal gebeurd) Melkmachines ontbraken, alles moest met de hand gebeuren. Ondanks de stevige knuisten van de ervaren boerenzonen, kregen zij in het begin zeer pijnlijke polsen.
DE EERSTE WERELDOORLOG.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog mobiliseerde ook het Nederlandse leger. Alle dienstplichtigen werden opgeroepen, ook degenen die in het buitenland verbleven. De dienstplichtige Schweizers gehoorzaamden aan de oproep die ook in de Duitse kranten stond. De lagere overheden in Duitsland bemoeilijkten wel de gang naar de grens, ze wilden voorkomen dat dienstweigeraars het land zouden verlaten. Willem Lambertsz beschreef in zijn dagboek hoe dat alles in zijn werk ging en hoe hij terugkeerde in Naarden. Zijn indrukken bij zijn thuiskomst beschreef hij als volgt:
"Zoo kwamen we dan ten laatste in de nacht van Donderdag op Vrijdag 7 Augustus om half 1 in ons dierbaar stadje Naarden aan, onderweg hadden we al gelegenheid om de vruchten van de mobilisatie te aanschouwen, al die mooie boomen langs de Laarderweg waren meedoogenloos omgehakt de ondereinjes stonden er nog, ook had men al eenige huizen gesloopt een maatregel die ik nooit goed zal keuren, mij dunkt dat daar altijd nog wel tijd voor had geweest als het er op aan kwam.
Vrijdag 's morgens was mijn eerste werk in mijn zakboekje kijken waar ik mij moest legeren. Ik had gedacht dat ik naar Wormerveer moest, maar ik kon mijn oogen haast niet gelooven toen ik daar las, dat ik mij te begeven had naar Naarden (Oud Molen). Ik zocht mijn bullen bij elkaar en toog op reis en na eenige keeren heen en weer gestuurd te zijn kwam ik ten laatste op mijn bestemming aan en wel in kazerne 'Oranje'.
Het was eerst een mooie boel hier in de stad. De tram mocht niet door de stad en niemand kon van buiten de stad binnen komen tenzij men een zoogenaamde pas had en wij militairen mochten er heel niet uit. Het was dan ook 's avonds kolossaal druk, want dan kwamen er veel familieleden en bekenden van de soldaten over, doch vooral 's Zondags dan was het 'ernorm'.
Doch na een paar weken kwam daarin verandering , want op den duur had dat toch niet goed gegaan om al die soldaten maar steeds thuis te houden en daarom werd toegestaan dat elke dag een zevende gedeelte met verlof kon gaan. Toen was het met de grootste drukte uit, en eindelijk mochten we ook 's avonds de stad uit, maar 's avonds om 9 uur binnen. Later werd het 10 uur en met 1 Februari 11 uur............. "
Verder beschreef Willem hoe het hem en vele anderen dienstplichtigen in Naarden verging.
Naarden was duidelijk overvol met militairen, volgens andere bronnen waren 4000 man binnen en om de vesting gelegerd. Veel soldaten werden ingekwartierd bij burgers, maar vooral bij boeren. Op de boerderij de Pijlsteeg sliepen soldaten op de deel in het stro. Ook stonden daar legerpaarden op stal. De winkels deden goede zaken en de plaatselijke cafe's konden de drank niet aanslepen. Voor de melkventende veehouders was het ook een goede tijd. Wel vorderde het leger hier en daar paarden en wagens. Herman, de oudste zoon van Jan, werd niet direct in dienst opgeroepen. Wel moest hij met het paard van zijn vader vanuit Naarden kanonnen wegbrengen naar Utrecht.
Kort daarna moest ook zoon Herman, net als zijn neven, in de militaire dienst. Naar zijn zeggen was dit de mooiste tijd van zijn leven. Hij werd zelfs sergeant bij de infanterie en daar was hij best trots op. Hij werd in Alkmaar gelegerd, maar in een latere periode zelfs in Naarden. Tijdens een ziekte lag hij tegenover zijn ouderlijk huis in het Militaire Hospitaal
in de Gansoordstraat. Volgens vage geruchten zou hij weleens tegen betaling van de sergeant-majoor verlofpasjes gekregen hebben. Tijdens dat verlof hielp hij zijn vader op de boerderij. Mogelijk kreeg hij zonder te betalen 'landbouwverlof', dat zelfs nog in de vijftiger jaren voorkwam.
OVERSTROMING DOOR DE ZUIDERZEE.
De vesting Naarden lag tussen twee winterdijken, de Oost- en Westdijk. Om overstroming door de Zuiderzee van het achterland te voorkomem lagen in de vestinggrachten bij de bastions 'Oranje' en 'Oud Molen' stenen dammen, 'beren' genaamd. Bij najaarsstormen werd het zeewater in de Zuiderzee opgestuwd en overstroomde de zomerdijken in het buitendijksgebied. Om de (zomer) zanddijk langs de Naarder Meent te ontlasten had men ten oosten van Fort Ronduit een overlaat bekleed met basaltblokken aangelegd. Hat water kon nu via de overlaat het buitendijks gebied instromen en stond dan aan weerzijde van de zanddijk zonder dat deze weggespoeld werd. De zee bracht dan een laagje vruchtbare klei op de weiden, die daarom nooit bemest behoefden te worden. Kwam de zee te vroeg over, dan moest men het vee achter de Westdijk in veiligheid brengen.
De buitendijkse gedeelten van de bastions 'Oranje', 'Katten' en 'Oud Molen' dienden tevens als winterdijk. Het water van de Zoute Gracht aldaar was 's winters zo brak, dat deze alleen bij strenge vorst dichtvroor. Tussen 'Katten' en 'Oud Molen' lag onder de Zeebrug de open verbinding tussen de Zoute gracht en de Oude Haven. Bij aanhoudende noordwester storm, werd het water in de Oude Haven opgestuwd, tengevolge waarvan meermalen de straten met zeewater overstroomden. Teneinde het water in de Oude Haven te kunnen keren, werd vanaf 1825 een dubbele rij schotbalken in de doorgang van de Zeebrug aangebracht door de genie. 's Zomers werden deze balken weer door de militairen verwijderd. Bij de hoge watervloed in januari 1916 had het leger verzuimd de schotbalken tijdig aan te brengen. Benoorden de Marktstraat was de stad dermate met zeewater overstroomd, dat de ingezetenen slechts per roeiboot hun woningen konden verlaten. Bij de Oude Haven stond het water 1 1/2 meter hoog.
Het water kwam ook in de Lange Pijlsteeg en de helft van de Gansoordstraat liep onder. De porder kwam 's nachts bij Jan op de luiken van de boerderij kloppen en riep: "De zee komt over". Om het vee te beschermen werden de hooischuurdeuren met zand gedicht, zodat het water niet naar binnen kon. Het zand haalden Jan en zijn zonen van het erf. Het water was na een dag weer weg.
HET VOORHUIS GANSOORDSTRAAT 31.
Het voorhuis werd door Jan de Gooijer tot november 1922 aan burgers verhuurd. Zoon Hermanus Wilhelmus (Herman) trouwde op 19 januari 1920 met Maria Wendelina Post en woonde tijdelijk in bij zijn neef Willem op de Schapenmeent. Herman werkte zijn eerste huwelijksjaren bij zijn vader. Per 1 november 1922 huurde hij het voorhuis Gansoordstraat 31. Er werd een huurcontract opgesteld, dat per 30 april 1924 eindigde. De huur bedroeg wekelijks f 5.-. In dit huis werden zijn oudste kinderen, Jan, Annie en Inie, geboren. Na Herman huurden achtereenvolgens zijn broers deze woning. Eerst Wilhelmus Hermanus (Wim), dan Lambertus Johannes (Bep) en als laatste Johannes Jacobus (Jan). Praktisch alle oudste kleinkinderen van Klaasje werden hier geboren.
DE WEDUWE KLAASJE DE GOOIJER-KRIJNEN.
Jan Willemsz de Gooijer overleed op 71-jarige leeftijd de 24 ste april 1924 in zijn boerderij. Hij werd begraven op het Rooms Katholieke kerkhof 'achter Jan Tabak'. Zijn vrouw Klaasje was toen 58 jaar. Zij dacht er niet over om met het boerenbedrijf te stoppen. Met behulp van haar zonen zette ze het bedrijf voor. Zij had een wilskrachtig en dominant karakter en was duidelijk de baas, alles werd gedaan zoals zij het bepaalde. Haar meeste kinderen woonden nog thuis. Het gezin bestond nog uit de zonen Wim van 23, Bep van 21 jaar, Jan van 14 jaar en de dochters Alie van 27 en Cor van 25 jaar. De 18 jarige dochter Annie studeerde voor onderwijzeres in Maastricht. Dochter Emma trad in bij de 'Orde van het Arme kindje Jezus' en nam 'Francisca Josepha' als kloosternaam aan.
Tot na 1945 bleef zij boerin in hard en nieren. Tot die tijd was zij de baas. De huishouding werd eerst gedaan door dochter Alie en daarna tot 1935 door een 'vreemde' dienstbode, totdat zoon Herman haar zijn 13 jarige dochter Annie voor dag en nacht schonk. Aan Annie werd geen keus gelaten en ook naar de mening van haar moeder werd niet gevraagd. Zij bleef opoe Klaasje goed verzorgen tot haar overlijden in 1956.
Het boerenwerk werd gedaan door een knecht. Assistentie verleenden in hun 'vrije tijd' zoon Jan en Bep die zelfstandige 'melkboer' waren en zoon Herman die ook nog zijn eigen boerenbedrijf runde. Klaasje vond dit dood-gewoon. Tekenend voor haar was de houding die zij aannam toen zij op zeer hoge leeftijd niet met haar huishoudgeld uitkwam. Een zoon stelde haar voor om een hypotheek te nemen op de geheel onbelaste boerderij. Zij werd kwaad en zei: "Ik heb vier zonen, ik pak hier wat en ik pak daar wat". Daarbij maakte zij graai bewegingen op de tafel. Klaasje was een sterke vrouw en een geweldige moeder. Zoon Herman vooral had veel respect voor haar, hij dweepte met zijn moeder. Klaasje was altijd belangstellend voor haar getrouwde kinderen en haar kleinkinderen. Ze was bij hen zeer geliefd.
SCHAARGELD.
Voor het het scharen op de meent betaalden de erfgooiers schaargeld. Na de tweede wereldoorlog was dit bedrag lager dan in de vooroorlogse tijd. Vooral tijdens de crisisjaren drukte dit zwaar. De 23e januari 1932 dienden de erfgooiers bij Stad en Lande een verzoek in om de schaargelden te verlagen. Onder het verzoek van Naarden stonden 17 handtekeningen, o.a. can C. de Gooijer Wz, W. de Gooijer Hz, W.H. de Goo9ijer Jz, Wed. J. de Gooijer-Krijnen, J. Krijnen, G. de Gooijer Cz, H.W. de Gooijer Jz, H. Krijnen en B.H. Krijnen.
In 1938 betaalde de weduwe Klaasje de Gooijer-Krijnen per jaar f 389,60 . Dat bedrag was als volgt opgebouwd:
14 koeien : f 280.- ; 2 pinken : f 28.- ; 2 kalveren : f 10.-; 3 overtollig stuks vee ; f 67,50 ; volle schaar f 4.- en zegelkosten f 0,10.
Tijdens WO II werd door de bezetter vee gevorderd. De zogenaamde leveringen waren voor de 'Voedselvoorziening' en de Wehrmacht. Omdat het 'geleverde vee' niet het gehele seizoen in de wei had gestaan, vroeg iedere erfgooier een gedeelte van het reeds betaalde schaargeld terug. Ook Klaasje deed dit en schreef het volgende briefje aan 'Stad en Lande' :
Naarden, 10 December 1942
Aan de Zeer Geachte Heer Secretaris van Stad en Lande van Gooiland,
Mijnheer,
Gaarne zou ik voor de door mij geleverde koe op 2 Juni Ke 80 gedeeltelijke ontheffing van schaargeld willen hebben.
Wed. J. de Gooiijer, Pijlstraat 6, Naarden.
De 15e december 1942 ontving Klaasje antwoord en een restitutie van 1/3 schaargeld, groot f 6,66. Hieruit bleek dat ondanks de geweldige geldontwaarding en prijsstijgingen het schaargeld van f 20.- per koe sinds 1938 gelijk was gebleven.
HOOIBOUW.
In de hooibouwtijd hielpen de zonen, naast het werk in hun eigen bedrijf, ook bij het binnenhalen van het hooi van moeder Klaasje. Het maaien gebeurde voor 1945 nog met de zeis, hiervoor werden ook maaiers ingehuurd. Vier weken lang was men tot laat in de avond in de weer. Klaasje pachtte in de Buitendijken hooiland en koos uit zuinigheid hooiland gelegen tegen Muiderberg. Hoe verder van de Vesting, hoe lager de pacht. Vóór de verkaveling in 1937 had dit grote nadelen. De hooiwagens moesten tot die tijd over een onverhard zomerdijkje rijden. Mogelijk maakte men wel een omweg over Muiderberg. Pas de aanleg van het met klinkers bestrate IJsselmeerweggetje bracht verbetering. Echter bleef de afstand tot de boerderij vijf kilometer. Met twee aan elkaar gekoppelde hooiwagens werd die afstand afgelegd. De mannen kregen een tekort aan slaap in deze drukke periode. Om niet op de bok in slaap te vallen bleef men met de leidsels in de hand naast de wagen lopen. Soms kwam men in de avond nog met vijf voeren hooi thuis. Om half elf losde men er dan nog twee. Daarna moesten de paarden nog naar de wei, maar er waren vaak jongens genoeg die wel zin hadden in een ritje van ongeveer een kilometer naar het Ondersloot. De volgende morgen moesten ze het paard weer ophalen.
Ook werden de vestingwallen gepacht, het was een hele toer om die stijle hellingen met de zeis te maaien. Duurder, maar beter waren de Oost- en de Westdijk. Zo pachtte op 19 februari 1941 de weduwe Klaasje de Gooijer-Krijnen voor f 91.- de Provinciale Zeewering. De lengte van genoemde 'Oostdijk' was 972 meter en de oppervlakte ca. 4 ha.
Op enkele foto's uit 1933 is te zien hoe de Klaasjes zonen bezig waren in de hooibouw. Voor een voer hooi stonden zij met het trouwe paard Moppie. Toen het paard na 20 jaar het zware werk niet meer aan kon, moest het vervangen worden. Het ging Klaasje aan haar hart, ze hield van het beest, maar wat te doen ? Ze verkocht het aan een betrouwbare slager. Bij de verkoop bedong zij teruggave van de paardenhoef met het brandmerk van 'Stad en Lande'. Ze wilde daarmee voorkomen dat de oude knol niet werd doorverkocht aan een sjacheraar die het zou afbeulen.
------------------------------------------------------
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
http://gooiland.vijftigplusser.nl/
Abonneren op:
Berichten (Atom)

